De rechtbank Noord-Holland heeft op 22 november 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 17 augustus 2024 te Schiphol ruim twee kilo cocaïne opzettelijk Nederland binnenbracht. De verdachte was meerderjarig ten tijde van het feit en werd verdacht van het schenden van het verbod uit de Opiumwet.
De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, zij bevoegd was en de officier van justitie ontvankelijk was. De verdachte bekende ter terechtzitting en het bewijs bestond uit processen-verbaal, een rapport van het Douanelaboratorium en de bekentenis.
Hoewel de reclassering adviseerde het jeugdstrafrecht toe te passen vanwege de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van de verdachte, besloot de rechtbank dit niet te volgen. De verdachte had zijn school afgerond, had een baan, en handelde uit financieel gewin met bewustzijn van de risico’s. De ernst van het feit en de omstandigheden leidden tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden of plaatsing in een justitiële jeugdinrichting. De straf wordt volledig uitgevoerd binnen de penitentiaire inrichting totdat voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is.