De rechtbank Noord-Holland heeft op 14 november 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 4 augustus 2024 te Schiphol een hoeveelheid cocaïne via geïmpregneerde kleding invoerde. De verdachte werd wettig en overtuigend bewezen dat hij opzettelijk deze hoeveelheid cocaïne binnen Nederland heeft gebracht.
De verdediging voerde geen inhoudelijk verweer tegen de bewezenverklaring, maar betwistte de exacte hoeveelheid cocaïne vanwege meetonzekerheid bij het NFI. De rechtbank oordeelde dat de schatting van circa 540 gram voldoende betrouwbaar was en dat de hoeveelheid bestemd was voor verdere verspreiding.
De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een eerdere transactie voor een Opiumwet-overtreding en de zwangerschap van zijn partner. Desondanks werd de straf conform de LOVS-richtlijnen vastgesteld op 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest.
De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, de schadelijkheid van cocaïne en de maatschappelijke impact van handel en verspreiding van harddrugs. De opgelegde straf weerspiegelt de zwaarte van het delict en de noodzaak van afschrikking.