De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers om de machtiging tot uithuisplaatsing van een jonge baby te verlengen. De baby verblijft sinds een spoedmachtiging van 11 oktober 2024 in een pleeggezin. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar er is sprake van huiselijk geweld tussen hen en onduidelijkheid over de verblijfplaats van de moeder en het kind.
De GI heeft sinds de ondertoezichtstelling op 10 september 2024 geprobeerd contact met de ouders te leggen, wat aanvankelijk niet lukte. Incidenten van huiselijk geweld op 3 en 6 oktober 2024 leidden tot een tijdelijk huisverbod voor de vader. De moeder ontkende mishandeling en negeerde het advies om een Blijf van mijn lijf-huis te bezoeken. Tijdens de zitting bleek dat ouders nu openstaan voor hulpverlening, maar de zorgen over veiligheid en stabiliteit blijven groot.
De moeder erkent dat het kind spanningen kan meekrijgen en wil hulpverlening opstarten. De vader erkent de ernst van de situatie en wil na het contactverbod samenwonen met de moeder. De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is om de veiligheid en het welzijn van het kind te waarborgen, mede omdat het contact met hulpverlening pril is en het geweld moet stoppen.
De rechtbank verklaart zich bevoegd ondanks onduidelijkheid over de verblijfplaats van de moeder, en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 8 februari 2025, uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.