6.3Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een scherp mes meermalen in te steken op het lichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft verspreid over (de rechterflank van) zijn lichaam steek- en snijwonden opgelopen, waarbij met name de wond in de liesstreek potentieel levensbedreigend was. Dit is een zeer ernstig feit. De verdachte heeft door zijn handelen op grove wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en het is evident dat een dergelijk feit een grote impact heeft op het slachtoffer. Dergelijke feiten dragen tevens bij aan gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving, in het bijzonder bij de overige aanwezigen die direct zijn geconfronteerd met (de gevolgen van) het gepleegde feit. Ook voor hen moet het een beangstigende ervaring zijn geweest.
Daarnaast heeft de verdachte twee medewerkers van het cellencomplex mishandeld door (onder meer) met de vuist in het gezicht te slaan en met de nagels over het gezicht te krabben. De slachtoffers hebben hierdoor (bloedend) letsel in het gezicht opgelopen. Door zo te handelen, heeft de verdachte ook inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 9 juli 2024. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapport van 21 mei 2024, opgesteld door dr. D.J. Vinkers, psychiater. Het psychiatrisch rapport houdt (onder meer) het volgende in:
Bij onderzochte is sprake van schizofreniforme stoornis en misbruik van cannabis (in remissie). Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde, indien dit bewezen wordt geacht. Betrokkene zegt dat hij geen cannabis meer gebruikte in de maanden voor het tenlastegelegde. Betrokkene voelde zich door zijn paranoïde wanen in het nauw gedreven. Mede omdat betrokkene zich het tenlastegelegde niet meer (goed) herinnert, blijft dit echter onduidelijk. Zo zijn er anamnestisch geen aanwijzingen voor akoestische hallucinaties (bv. stemmen die hem opdracht geven). Het is echter wel aannemelijk dat er (indien bewezen) een doorwerking was van zijn psychotische toestandsbeeld in het tenlastegelegde. Een volledige doorwerking kan niet worden uitgesloten, maar is in het huidige onderzoek niet aangetoond. Geadviseerd wordt om de ten laste gelegde feiten (indien bewezen) in een (op zijn minst) verminderde mate toe te rekenen.
Uit het gestructureerde risico prognose instrumenten HKT-R en de SAPROF en de
klinische inschatting blijkt dat betrokkene een matig hoog risico heeft op recidive van een geweldsdelict zonder begeleiding of behandeling. Als hij wel begeleiding krijgt en/of wordt behandeld, wordt het risico op recidive van een geweldsdelict laag ingeschat.
Geadviseerd wordt om betrokkene als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel een (ambulante) psychiatrische behandeling bij een forensisch-psychiatrische polikliniek of een FACT team op te leggen. Hij zou daarmee de komende tijd (ambulant) kunnen worden begeleid en behandeld met (twee)wekelijkse gesprekken en cognitieve gedragstherapie. Als dat geïndiceerd wordt geacht en betrokkene gaat hiermee akkoord, zou er een antipsychoticum kunnen worden voorgeschreven. Ook de abstinentie van cannabis moet worden gecontroleerd. Een opname wordt (nu) weinig zinvol geacht. Reclassering zou toezicht op de uitvoering van deze maatregel kunnen houden.
De rechtbank neemt het advies van de psychiater over. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend, waarmee in de straftoemeting rekening zal worden gehouden.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 6 augustus 2024, opgesteld door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Het reclasseringsrapport houdt (onder meer) het volgende in:
Uit ons onderzoek en de beschikbare stukken komt het beeld van een jongeman naar voren die zijn leven goed op orde had in praktische zin. Er was sprake van stabiele huisvesting, een dagbesteding, een gezonde financiële situatie en een stabiel sociaal netwerk. Zorgelijk is het middelengebruik en de gestelde diagnostiek (betrokkene is in het kader van de huidige strafzaak psychiatrisch onderzocht). Ook ontbreekt het betrokkene aan huisvesting na detentie. Ten aanzien van de kans op recidive is het van belang dat betrokkene een behandeling ondergaat, waarbij het vergroten van ziekte-inzicht, het herkennen van signalen van ontregeling en het abstinent blijven van drugs belangrijke onderwerpen zijn. Dit kan gerealiseerd worden in het kader van een toezicht door de reclassering. Betrokkene heeft aangegeven daaraan zijn medewerking te zullen verlenen.
De reclassering adviseert bij een bewezenverklaring een straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijk strafdeel: een meldplicht, een ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname en tot de verplichte inname van medicatie, begeleid wonen, het vinden van dagbesteding en het meewerken aan middelencontrole.
De op te leggen straf
De ernst van de feiten en de (verstrekkende) gevolgen daarvan voor de slachtoffers rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Alles afwegende – en met name indachtig de psychische toestand van de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten – is de rechtbank van oordeel dat de straf die door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden is. Dit betekent dat de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 608 dagen zal opleggen. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van 400 dagen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, met als doel dat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering heeft geadviseerd, waaronder de mogelijkheid tot verplichte inname van medicatie. De rechtbank acht noodzakelijk dat in het geval een arts het innemen van medicatie geïndiceerd acht, en de verdachte daartoe zelf de noodzaak niet ziet, de mogelijkheid bestaat om – ter afwending van gevaar en van dusdanige escalatie dat een klinische opname in beeld komt – de inname van medicatie door de verdachte te verplichten.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte – indien hij niet wordt behandeld – wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. Vorderingen benadeelde partijen schadevergoedingsmaatregel