Uitspraak
1.De procedure
2.Het geschil
3.De beoordeling
4.De beslissing
30 oktober 2024.
Rechtbank Noord-Holland
Hapje B.V. huurde sinds juni 2022 een bedrijfsruimte van eiser voor een periode van 60 maanden. Hapje B.V. zegde de huur tussentijds op en ontruimde het pand, waarna de sleutels werden teruggegeven aan eiser. Eiser vordert betaling van achterstallige huur en schadevergoeding tot het einde van de oorspronkelijke huurperiode, omdat Hapje B.V. volgens hem tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst door niet te betalen na een huurverhoging per 1 juni 2024.
Hapje B.V. betwist de rechtmatigheid van de huurverhoging en stelt dat de beëindiging van de huur met wederzijds goedvinden heeft plaatsgevonden. Zij voert tevens verweer tegen het spoedeisend belang van eiser en stelt dat verrekening met de borg en tegenvorderingen aan de orde zijn.
De kantonrechter oordeelt dat de kort geding procedure niet geschikt is voor dit geschil, omdat de rechtmatigheid van de vordering niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld en eiser het gehuurde inmiddels aan een andere huurder heeft verhuurd. Het spoedeisend belang ontbreekt daarom. Ook de huurachterstand van twee maanden is onvoldoende grond voor een voorziening, mede gezien de betaalde borg.
De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.