Uitspraak
1.De procedure
- de producties 11 – 14 van ZVH;
- de producties 1 – 9 van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 2 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van ZVH;
Rechtbank Noord-Holland
ZVH verhuurde sinds 2011 een seniorenwoning aan de man van gedaagde. Op 14 december 2023 trouwden gedaagde en haar man, die op 12 januari 2024 overleed. Gedaagde stelde medehuurder te zijn geworden en wilde de huurovereenkomst voortzetten. ZVH wees dit af wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en hoofdverblijf van gedaagde in de woning.
De kantonrechter concludeert dat het huwelijk wel is gesloten, mede gelet op de ontkenning van het vaderschap door gedaagde, maar dat er geen affectieve relatie was en dat gedaagde niet haar hoofdverblijf in de woning had. Bewijsstukken en verklaringen van derden ondersteunen dit niet, en het gedrag van gedaagde wijst op een schijnhuwelijk om de woning te verkrijgen.
Daarom is in kort geding aannemelijk dat de bodemrechter de vordering tot ontruiming zal toewijzen. Gedaagde wordt veroordeeld de woning binnen veertien dagen te verlaten, een gebruiksvergoeding te betalen vanaf 1 februari 2024 en de proceskosten te vergoeden. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen vanwege het spoedeisend belang van ZVH bij het vrijmaken van schaarse seniorenhuisvesting.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen en betaling van gebruiksvergoeding en proceskosten.