ECLI:NL:RBNHO:2023:8493
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering voortzetting huurovereenkomst na overlijden ouders in kort geding
In deze zaak vordert een meerderjarige zoon dat de huurovereenkomst die zijn overleden ouders hadden, door de verhuurder op zijn naam wordt voortgezet. De kantonrechter oordeelt dat deze vorderingen niet toewijsbaar zijn in kort geding omdat zij een constitutief vonnis opleveren, wat in kort geding niet is toegestaan.
De zoon stelt dat hij de huurovereenkomst wil voortzetten om huurtoeslag te kunnen aanvragen, aangezien hij anders de huur niet kan betalen. De verhuurder betwist dit en wijst erop dat de zoon onvoldoende heeft onderbouwd dat hij aan de wettelijke vereisten voldoet, zoals het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en het financieel kunnen waarborgen van de huurbetaling.
Verder is er een geschil over de huurprijsverhoging per 1 juli 2023. De verhuurder heeft een huurverhogingsvoorstel gedaan, maar heeft niet kunnen bewijzen dat dit voorstel de zoon daadwerkelijk heeft bereikt. Daarom wordt bepaald dat de oude huurprijs tot 1 oktober 2023 geldt.
De kantonrechter wijst de vorderingen af, legt de proceskosten aan de zoon op en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De verhuurder heeft aangeboden dat de zoon tot 31 december 2023 in de woning kan blijven, waardoor geen onmiddellijke voorziening nodig is.
Uitkomst: Vorderingen tot voortzetting huurovereenkomst worden afgewezen; huurprijs blijft tot 1 oktober 2023 ongewijzigd.