ECLI:NL:RBNHO:2023:759

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 januari 2023
Publicatiedatum
3 februari 2023
Zaaknummer
C/15/323732 / FA RK 21-6335
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herstelverzoeken inzake draagkrachtberekening en kindgebonden budget bij birdnestingregeling

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 27 januari 2023 verzoeken tot herstel van een beschikking van 3 februari 2022 in een civiele familierechtelijke zaak tussen een vrouw en een man. De verzoeken betroffen onder meer de vraag of de rechtbank ten onrechte rekening hield met het recht op kindgebonden budget van de vrouw, ondanks een birdnestingregeling, en de wijze waarop de draagkracht van de man was berekend.

De rechtbank overwoog dat uit het vaststellen van een birdnestingregeling niet automatisch volgt dat partijen op hetzelfde adres ingeschreven blijven staan, zodat het geen kennelijke fout was om rekening te houden met het kindgebonden budget. Verder betrof de draagkrachtberekening een inhoudelijke beoordeling van een geschilpunt, waarvoor geen ruimte is voor herstel op grond van artikel 31 Rv Pro, ook al zou daarin een fout zijn geslopen.

Daarnaast wees de rechtbank het verzoek van de man af om de draagkrachtberekening te herstellen vanwege het opnemen van slechts de helft van de hypotheekrente als woonlastenpost en het niet meenemen van het forfait eigenaarslasten. Hoewel het niet meenemen van het forfait een rekenfout was, was deze niet eenvoudig te herstellen zonder een volledige nieuwe berekening. De rechtbank concludeerde dat geen herstel op grond van artikel 31 Rv Pro gerechtvaardigd was en wees alle herstelverzoeken af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de verzoeken tot herstel van de beschikking af wegens het ontbreken van kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
voorlopige voorzieningen/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/323732 / FA RK 21-6335
Beslissing op verzoeken om een herstelbeschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 27 januari 2023
in de zaak met voormeld nummer, waarin op 3 februari 2022 een beschikking is gegeven en uitgesproken, van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J.E. Smal, kantoorhoudende te Limmen,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.J.A. Nijssen, kantoorhoudende te Roelofarendsveen.

1.Overwegingen

Het verzoek tot herstel van de advocaat van de vrouw
De advocaat van de vrouw heeft op 16 februari 2022 een brief ingediend waarin zij verzoekt de beschikking van 3 februari 2022 op twee punten te herstellen.
Het eerste punt betreft de overweging (rechtsoverweging 3.23.) van de rechtbank dat de vrouw kindgebonden budget ontvangt. De advocaat van de vrouw stelt dat de rechtbank hier geen rekening mee had moeten houden, omdat de rechtbank eerder had overwogen (onder rechtsoverweging 3.17.) dat partijen geen aanspraak kunnen maken op kindgebonden budget. De vrouw komt niet in aanmerking voor kindgebonden budget, omdat partijen beiden in de woning ingeschreven staan en nog steeds fiscaal partner zijn, aldus de advocaat van vrouw.
Het tweede punt betreft de wijze waarop de rechtbank het inkomen van de man heeft berekend (onder rechtsoverwegingen 3.22. en 3.30.). Volgens de advocaat van de vrouw heeft de rechtbank die berekend op basis van de winst uit onderneming van de man van 2020 en 2021, maar had de rechtbank rekening moeten houden met de gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2019, 2020 en 2021.
Op grond van artikel 31 Rv Pro verbetert de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechter gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
Ten aanzien van het eerste punt overweegt de rechtbank dat in de beschikking van 3 februari 2022 onder rechtsoverweging 3.17. is overwogen dat partijen in 2021 geen recht hadden op een kindgebonden budget. De rechtbank had dus niet overwogen dat de vrouw op de beschikkingsdatum (3 februari 2022) geen recht op een kindgebonden budget had. Voorts heeft de rechtbank weliswaar een zogenoemde birdnestingregeling vastgesteld, maar hier volgt niet zonder meer uit dat partijen op hetzelfde adres ingeschreven zouden blijven staan. De rechtbank heeft daarom geen kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv Pro gemaakt door te overwegen dat de vrouw een kindgebonden budget ontvangt (rechtsoverweging 3.23.) en hiermee rekening te houden in de berekening van de kinderbijdrage.
Ten aanzien van het tweede punt overweegt de rechtbank dat het bezwaar van de advocaat van de vrouw ziet op de wijze waarop de rechtbank de draagkracht van de man heeft berekend. Dit betreft een inhoudelijke beoordeling van een geschilpunt, en zelfs indien de rechtbank hierin een fout heeft gemaakt, is dit geen kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv Pro.
Op grond van het voorgaande zal het verzoek van de vrouw tot herstel van de beschikking van 3 februari 2022 (op beide punten) worden afgewezen.
Het verzoek tot herstel van de advocaat van de man
De advocaat van de man heeft op 24 februari 2022 een brief ingediend waarin zij verzoekt de beschikking van 3 februari 2022 te herstellen omdat bij de berekening van de draagkracht van de man:
slechts rekening wordt gehouden met de helft van de hypotheekrente, terwijl de rechtbank (onder rechtsoverweging 3.30.) heeft overwogen dat de man de volledige hypotheekrente betaalt;
geen rekening wordt gehouden met het forfait eigenaarslasten van € 95 per maand, terwijl de rechtbank (onder rechtsoverweging 3.30.) heeft overwogen dat wel te zullen doen;
enkel rekening wordt gehouden met de hypotheekrente en niet met de volledige hypotheeklasten, die ook aflossingen op de hypothecaire geldlening en premie voor een aan de hypotheek gekoppelde overlijdensrisicoverzekering inhouden, terwijl de rechtbank (onder rechtsoverweging 3.23.) heeft overwogen te zullen bepalen dat de man de hypotheeklasten volledig dient te voldoen.
Ten aanzien van het eerste bezwaar overweegt de rechtbank als volgt. In de beschikking van 3 februari 2022 heeft de rechtbank (onder 4.4.) beslist dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw 50% van de aan een derde verschuldigde hypotheekrente zal betalen. In de draagkrachtberekening heeft de rechtbank hiermee rekening gehouden door een post ‘138 Alimentatieverplichting ex-partner’ van € 366 (gelijk aan de helft van de hypotheekrente) op te nemen. De rechtbank heeft dus geen fout gemaakt door bij de post ‘123 Woonlasten’ slechts de helft van de hypotheekrente op te nemen.
Ten aanzien van het tweede bezwaar overweegt de rechtbank dat de rechtbank in de draagkrachtberekening inderdaad geen rekening heeft gehouden met het forfait eigenaarslasten van € 95 per maand, terwijl dat wel had gemoeten. Dit is een kennelijke rekenfout, maar die fout leent zich niet voor eenvoudig herstel als bedoeld in artikel 31 Rv Pro. De rechtbank zou dan immers een nieuwe berekening van de draagkracht van de man en een nieuwe draagkrachtvergelijking moeten maken.
Ten aanzien van het derde bezwaar overweegt de rechtbank als volgt. In de beschikking van 3 februari 2022 overweegt de rechtbank (onder rechtsoverweging 3.23.) te zullen bepalen dat de man de hypotheeklasten volledig dient te voldoen. Deze overweging deed de rechtbank bij de beoordeling van de kinderbijdrage. De woonlast wordt bij de beoordeling van de kinderbijdrage echter forfaitair berekend en bij de beoordeling van de partnerbijdrage heeft de rechtbank overwogen (onder rechtsoverweging 3.30.) rekening te zullen houden met de hypotheekrente, en niet met de volledige hypotheeklasten zoals de advocaat van de vrouw betoogt. De rechtbank heeft dus geen fout gemaakt door in de draagkrachtberekening geen rekening te houden met de volledige hypotheeklasten.
Op grond van het voorgaande zal het verzoek van de advocaat van de man tot herstel van de beschikking van 3 februari 2022 worden afgewezen.

2.Beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken tot het geven van een herstelbeschikking af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.M. de Wolf MSM, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Leertouwer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2023.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.