Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Stichting Petrus Canisius College, Katholieke Scholengemeenschap voor Voortgezet Onderwijs
Rechtbank Noord-Holland
Eiseres, een seniordocent in schaal 12, trad op 1 september 2018 in dienst bij Stichting Petrus Canisius College (PCC) en beëindigde haar dienstverband per 1 september 2022. PCC bracht in de eindafrekening een negatief verlofsaldo van 14,25 dagen (€ 3.765,11 bruto) in mindering, omdat eiseres meer vakantie had genoten dan opgebouwd volgens de vastgestelde schoolvakanties en de cao.
Eiseres vorderde betaling van het ingehouden bedrag vermeerderd met wettelijke verhoging en rente, stellende dat er geen tekort aan verlofuren was en dat verrekening in strijd was met de cao, goed werkgeverschap en redelijkheid en billijkheid. PCC voerde verweer dat verrekening toegestaan is op grond van artikel 7:632 BW Pro en de cao, en dat eiseres de verrekening zonder voorbehoud heeft geaccepteerd.
De kantonrechter oordeelde dat de formule in artikel 14.1.2 van de cao vo een verdeelsleutel geeft voor werknemers die niet het gehele schooljaar in dienst zijn, en dat het schooljaar loopt van 1 augustus tot 31 juli. Omdat eiseres slechts één maand van het nieuwe schooljaar in dienst was, was er een tekort aan verlofuren dat PCC terecht heeft verrekend.
De stelling van eiseres dat verrekening strijdig zou zijn met goed werkgeverschap en redelijkheid en billijkheid werd verworpen, mede omdat de schoolvakanties ministerieel zijn vastgesteld en PCC niet kon verwachten dat werkzaamheden in die periode konden worden verricht. De vordering werd afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de docent tot betaling van het ingehouden negatief verlofsaldo wordt afgewezen.