ECLI:NL:RBNHO:2023:3876

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 april 2023
Publicatiedatum
26 april 2023
Zaaknummer
10024918 \ CV EXPL 22-4518
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 5 lid 1 sub a Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 8 lid 1 sub a Verordening (EG) nr. 261/2004
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepasselijkheid EU-verordening op vluchtannulering na Brexit

Passagiers vorderen restitutie van ticketkosten wegens annulering van vluchten uitgevoerd door British Airways Plc, een luchtvaartmaatschappij gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. De vluchten betroffen trajecten van en naar Lagos, Amsterdam, Heathrow en Boston, waarbij enkele vluchten na het einde van de Brexit-overgangsperiode op 31 december 2020 waren geannuleerd.

De passagiers baseren hun vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie en bijstand regelt bij annulering van vluchten binnen de EU. De vervoerder betwist de vordering, stellende dat passagier 1 heeft gekozen voor een voucher en passagiers 2 en 3 reeds restitutie ontvingen.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is, maar oordeelt voorlopig dat de Verordening niet van toepassing is op de vlucht van passagier 1 omdat de vertrekplaats Lagos buiten de EU ligt en British Airways na de Brexit-overgangsperiode niet meer als communautaire luchtvaartmaatschappij geldt.

De kantonrechter geeft partijen de gelegenheid om zich over dit voorlopige oordeel uit te laten en houdt verdere beslissing aan. Het vonnis is gewezen door kantonrechter S.N. Schipper op 12 april 2023.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid te reageren op het voorlopige oordeel dat de EU-verordening niet van toepassing is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10024918 \ CV EXPL 22-4518 (DB)
Uitspraakdatum: 12 april 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]

wonende te [plaats 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

beiden wonende te [plaats 2]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde mr. A.Y. Lai
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
British Airways Plc
gevestigd te Cardiff (Verenigd Koninkrijk)
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. J.J.O. Zandt

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 12 juli 2022 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
Passagier sub 1 heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Lagos Airport (Nigeria) naar Heathrow (Verenigd Koninkrijk) met vluchtnummer BA0074 en aansluitend naar Amsterdam Schiphol Airport met vluchtnummer BA0428 op 22 januari 2021. De ticketprijs van de vlucht van passagier sub 1 bedroeg € 822,02.
2.2.
Passagiers sub 2 en 3 hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Heathrow met vluchtnummer BA0439 en aansluitend naar Boston Airport (Verenigd Koninkrijk) met vluchtnummer BA0215 op 15 juli 2020.
2.3.
Voorts diende de vervoerder passagiers sub 2 en 3 op grond van de vervoersovereenkomst te vervoeren van Boston Airport naar Heathrow met vluchtnummer BA0212 en aansluitend naar Amsterdam-Schiphol met vluchtnummer BA0430 op 26 juli 2020. De ticketprijs van de vluchten van passagier sub 2, haar minderjarige kind [minderjarige] en passagier sub 3 bedroeg € 1.382,16.
2.4.
De vluchten van de passagiers zijn geannuleerd.
2.5.
Passagier sub 2 heeft de vordering van haar minderjarige kind [minderjarige] gecedeerd aan zichzelf.
2.6.
Aviclaim heeft namens de passagiers aan de vervoerder om restitutie van de ticketkosten verzocht.
2.7.
Passagiers sub 2 en 3 hebben op 5 november 2022 een terugbetaling van € 1.299,18 ontvangen van reisagent Tix.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen - na vermindering van eis - dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 905,00 aan hoofdsom, € 330,63 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, het een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
3.3.
De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vluchten gehouden is tot restitutie van (het restant van) de ticketprijs binnen zeven dagen na annulering van de vluchten conform artikel 5 lid 1 sub a in Pro samenhang met artikel 8 lid 1 sub a van Pro de Verordening. Zij stellen voorts dat de vervoerder, ondanks herhaalde aanmaning, heeft geweigerd de kosten van de tickets aan hen terug te betalen.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Hij voert aan dat passagier sub 1 heeft gekozen voor een voucher, waardoor de passagier geen recht meer heeft op terugbetaling. Ten aanzien van passagier sub 2 en 3 heeft de vervoerder aangevoerd dat hij de ticketprijs reeds heeft terugbetaald.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
De kantonrechter oordeelt dat hij ambtshalve gehouden is te toetsen of de onderhavige vordering onder het toepassingsbereik van de Verordening valt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ten aanzien van passagiers sub 1 vooralsnog ontkennend. Het volgende is hiervoor redengevend.
5.3.
Artikel 3, lid 1, van de Verordening luidt als volgt:
“Deze verordening is van toepassing
a. op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;
b) op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is”.
5.4.
Nu Lagos (Maleisië) als vertrekplaats moet worden aangemerkt, is de luchthaven van vertrek buiten de EU gelegen, zodat niet wordt voldaan aan artikel 3, lid 1, aanhef en sub a van de Verordening. De kantonrechter stelt vast dat de vervoerder is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, dat op 31 januari 2020 de Europese Unie heeft verlaten (de zogenaamde ‘Brexit’). In dat kader is tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie het zogenaamde Terugtrekkingsakkoord gesloten, dat voorziet in een overgangsperiode die op 31 december 2020 is geëindigd. Dit houdt in dat de vervoerder op de geplande vluchtdatum, 22 januari 2021, niet als een communautaire luchtvaartmaatschappij is aan te merken, zodat er evenmin is voldaan aan artikel 3, lid 1, aanhef en sub b van de Verordening. De kantonrechter is dan ook voorshands van oordeel dat de Verordening niet van toepassing is op de betreffende vlucht. Dat de vlucht vóór het einde van de hiervoor bedoelde overgangsperiode is geannuleerd, te weten op 29 november 2020, doet daar niet aan af, nu de uit (artikel 8 van Pro) de Verordening voortvloeiende verplichtingen in geval van een annulering alleen gelden voor passagiers waarop de Verordening van toepassing is. Alvorens hierover te beslissen, zullen de passagiers eerst in de gelegenheid worden gesteld zich over het voorlopig oordeel van de kantonrechter uit te laten. De vervoerder zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte te antwoorden.
5.5.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
stelt de passagiers in de gelegenheid om uiterlijk vóór 10 mei 2023 zich bij akte uit te laten zoals bedoeld in r.o. 5.4;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter