Partijen, die een relatie hadden en samen drie minderjarige kinderen hebben, zijn in 2018 uit elkaar gegaan. Zij sloten toen een ouderschapsplan met een co-ouderschapsregeling en een overeengekomen kinderbijdrage van €423 per maand. De vrouw vorderde een herberekening van de kinderbijdrage, stellende dat het oorspronkelijke bedrag niet aan wettelijke maatstaven voldeed en dat er relevante gewijzigde omstandigheden waren.
De man voerde verweer en stelde dat de kinderbijdrage conform wettelijke normen was vastgesteld, dat de vrouw niet ontvankelijk was wegens het niet volgen van mediation, en verzocht zelf om een wijziging van de zorgregeling vanwege vermeende onrust bij de kinderen door veel wisselmomenten.
De rechtbank oordeelde dat de vrouw onvoldoende had onderbouwd dat de oorspronkelijke kinderbijdrage niet aan de wettelijke maatstaven voldeed. Wel was er sprake van een relevante wijziging van omstandigheden door gestegen inkomens van beide partijen, wat een herberekening rechtvaardigde. De rechtbank berekende de draagkracht van beide ouders en stelde de kinderbijdrage van de man vast op €184 per maand per kind vanaf 16 juni 2022.
Ten aanzien van de zorgregeling concludeerde de rechtbank dat er geen doorslaggevende reden was voor wijziging en wees het verzoek van de man af. Partijen werden aangemoedigd in overleg te blijven met eventueel hulp van een mediator.