ECLI:NL:RBNHO:2023:2084
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vermindering of kwijtschelding ontnemingsbedrag wegens onvoldoende betalingsonmacht
De verzoeker is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot betaling van een ontnemingsmaatregel van €102.846,50, welke onherroepelijk is geworden. Sinds 2016 betaalt hij maandelijks €100,- via een betalingsregeling die hij steeds is nagekomen. Het openstaande bedrag bedroeg op 30 januari 2023 nog €94.446,50.
De verzoeker vroeg de rechtbank om vermindering of kwijtschelding van het resterende bedrag, stellende dat hij door zijn fysieke conditie niet in staat is om zijn huidige werk als stukadoor voort te zetten en dat een baan in de paardensport hem wordt onthouden vanwege zijn justitiële verleden. Hij stelde dat volledige terugbetaling onmogelijk is en vroeg vermindering tot €5.000,-.
Het CJIB erkende dat het huidige betaaltempo laag is en stond niet afwijzend tegenover gedeeltelijke vermindering, maar betoogde dat de wettelijke criteria niet worden gehaald. De officier van justitie stelde dat de verzoeker in staat is te werken en te betalen, en dat niet is gebleken dat het niet kunnen aannemen van de baan in de paardensport leidt tot onvermijdelijke betalingsonmacht.
De rechtbank oordeelde dat de verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nu of in de toekomst niet in staat zal zijn te betalen. Zijn huidige inkomen en betalingsregeling tonen draagkracht. Het beroep op het verhinderen van een baan wegens strafrechtelijk verleden is niet onderbouwd. Daarom werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vermindering of kwijtschelding van het ontnemingsbedrag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van betalingsonmacht.