Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2023:1732

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 maart 2023
Publicatiedatum
28 februari 2023
Zaaknummer
9858972 \ CV EXPL 22-2675
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling geldlening en rente na onvoldoende bewijs contante betaling

In deze civiele procedure vordert eiseres terugbetaling van een geldlening van € 6.275 vermeerderd met wettelijke rente. Gedaagde stelde dat zij € 2.500 contant had betaald, maar kon dit niet bewijzen. De kantonrechter oordeelde dat het bewijs van contante betaling ontbrak, waardoor gedaagde het volledige bedrag en rente moet terugbetalen.

Eiseres had ook buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, maar deze werden afgewezen omdat niet was voldaan aan de wettelijke vereisten, zoals het ontbreken van een correcte aanmaning met een betalingstermijn van veertien dagen. Na de dagvaarding had gedaagde nog betalingen verricht die in mindering worden gebracht op rente en hoofdsom.

Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente vanaf de dagvaarding, proceskosten van € 703,74 en nakosten van € 132, voor zover deze daadwerkelijk worden gemaakt. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad en overige vorderingen werden afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 6.275 met wettelijke rente en proceskosten, zonder incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 9858972 \ CV EXPL 22-2675
Vonnis van de kantonrechter van 1 maart 2023 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: de Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders en Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

In deze zaak heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Daarin is geoordeeld dat [gedaagde] de geldlening en de rente ineens aan [eiseres] moet terugbetalen. Daarnaast is [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat zij € 2.500 contant aan [eiseres] heeft betaald. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] dat bewijs niet heeft geleverd. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] het volledige openstaande bedrag van de lening en de rente aan [eiseres] moet terugbetalen.

2.De procedure

Op 7 december 2022 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Vervolgens heeft [eiseres] bewijsstukken ingediend. Op 16 februari 2023 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
[gedaagde] heeft niet bewezen dat zij € 2.500 contant aan [eiseres] heeft betaald
3.2.
In het tussenvonnis is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zij € 2.500 contant aan [eiseres] heeft betaald. [gedaagde] heeft geen bewijsstukken ingediend. Ook heeft zij geen getuigen laten horen. [gedaagde] heeft dus helemaal geen bewijs geleverd. Het is dan ook niet komen vast te staan dat [gedaagde] € 2.500 contant aan [eiseres] heeft betaald. Dit betekent dat [gedaagde] het volledige openstaande bedrag van de lening (€ 6.275) aan [eiseres] zal moeten terugbetalen.
[gedaagde] moet ook wettelijke rente betalen
3.3.
[eiseres] heeft gevorderd dat [gedaagde] wettelijke rente betaalt over de hoofdsom. De wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk niet toegelicht waarom [gedaagde] vanaf een eerder moment wettelijke rente verschuldigd zou zijn.
[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.4.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is na 1 juli 2012 ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten (artikel 6:96 leden Pro 5 en 6 BW). Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] in verzuim verkeerde toen de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro werd verzonden, terwijl artikel 6:96 lid 6 BW Pro dat wel verlangt. Bovendien heeft [eiseres] aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde]. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro (HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704). Er is dus niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro voldaan. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
Betalingen door [gedaagde] moeten in mindering worden gebracht
3.5.
[gedaagde] heeft na het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak nog een aantal bedragen aan [eiseres] betaald. Op grond van artikel 6:44 BW Pro moeten deze betalingen in de eerste plaats in mindering worden gebracht op de verschenen rente en vervolgens op de hoofdsom en de lopende rente. De kantonrechter zal dit in de uitspraak vastleggen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
3.6.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
129,74
- griffierecht
244,00
- salaris gemachtigde
330,00
(1 punt × € 330)
Totaal
703,74
3.7.
Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van € 132 aan nakosten, voor zover [eiseres] daadwerkelijk nakosten maakt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.275, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling en te verminderen met de betalingen door [gedaagde] na de datum van de dagvaarding in overeenstemming met artikel 6:44 BW Pro,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot dit vonnis vastgesteld op € 703,74,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 132 aan salaris gemachtigde, voor zover [eiseres] daadwerkelijk nakosten maakt,
4.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Steeg-Tijms en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2023.