Uitspraak
Rechtbank noord-holland
HAA 22/3680
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2023 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen, verweerder.
Procesverloop
mr. [naam 3] .
Overwegingen
[bedrijf] was voornemens in [land 1] een [accommodatie] te ontwikkelen en te exploiteren. De vergunningen daarvoor zijn echter ingetrokken wat heeft geleid tot een schadevergoedingsprocedure van eiseres en [bedrijf] tegen de [land 1] overheid. In het kader van die procedure zijn aan eiseres door verschillende in andere EU lidstaten dan [land 2] gevestigde dienstverleners diensten verricht. Eiseres heeft aan deze dienstverleners haar btw-identificatienummer verstrekt. Die dienstverleners hebben dat nummer vermeld op hun facturen aan eiseres en onder verwijzing naar artikel 196 van Pro Richtlijn 2006/112/EG (de btw-richtlijn) de ter zake verschuldigde btw verlegd naar eiseres.
Overzicht facturen
Naheffing en administratieve boete
Facturen die niet zijn meegenomen in het overzicht
Geschil10. In geschil is of eiseres de omzetbelasting verschuldigd is ter zake van de diensten die aan haar zijn geleverd door ondernemers gevestigd in andere EU lidstaten (de verleggings-btw). Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen prestaties tegen vergoeding verricht en aldus geen ondernemer is in de zin van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Voorts zijn de boetebeschikkingen in geschil.
10 juni 2010 noch op het vragenformulier in 2012 vermeld dat zij geen prestaties tegen vergoeding verricht of dat zij ten onrechte is geregistreerd als ondernemer. Gesteld noch gebleken is dat verweerder reeds vóór de bezwaarfase op andere wijze daarvan op de hoogte was, zodat hem ook niet kan worden verweten dat hij het btw-identificatienummer in 2012 niet heeft gedeactiveerd.
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- vermindert de boetebeschikkingen tot de bedragen vermeld in overweging 24.
mr. J. Rakhan, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2023.