ECLI:NL:RBNHO:2023:14070

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 oktober 2023
Publicatiedatum
26 februari 2024
Zaaknummer
9403416 EL 21-30
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering Dexia wegens verjaring vernietigingsbevoegdheid effectenleaseovereenkomsten

In deze civiele procedure vordert Dexia Nederland B.V. dat wordt vastgesteld dat zij aan al haar verbintenissen uit de effectenleaseovereenkomsten heeft voldaan en dat zij niets meer verschuldigd is aan gedaagde partijen. De procedure betreft meerdere overeenkomsten die gelijktijdig zijn gesloten.

Gedaagde heeft erkend dat zijn echtgenote vanaf het begin op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomsten, wat van belang is voor de vraag of het beroep op verjaring van Dexia slaagt. De kantonrechter oordeelt dat de kennis van de juridische kwalificatie van de overeenkomsten door de echtgenote niet relevant is voor de verjaringstermijn.

Op grond van de feiten en eerdere jurisprudentie wordt geconcludeerd dat gedaagde eerder dan 13 maart 2000 op de hoogte was van de overeenkomsten, zodat het beroep van Dexia op verjaring slaagt. De vorderingen van Dexia worden daarom toegewezen en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Dexia heeft aan al haar verbintenissen voldaan en is niets meer verschuldigd aan gedaagde wegens verjaring van diens vernietigingsbevoegdheid.

Uitspraak

Vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer 9403416 EL 21-30
vonnis van de kantonrechter van 12 oktober 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde 1],[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagden]. (mannelijk enkelvoud), [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 13 juli 2023;
  • de akte na tussenvonnis van [gedaagden].
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is aan [gedaagden] de gelegenheid gegeven om nader op de stellingen van Dexia omtrent de wetenschap van [gedaagde 2] met betrekking tot de onderhavige overeenkomsten zoals die volgens haar blijkt uit een eerdere procedure tussen Dexia en [gedaagde 1], te reageren en daarbij te vermelden op welke overeenkomst de eerder tussen Dexia en [gedaagde 1] gevoerde procedure ziet.
2.2.
[gedaagden]. heeft vervolgens erkend dat in de eerdere procedure door [gedaagde 1] het standpunt is ingenomen dat zijn eega tijdens het afsluiten van de in die procedure aan de orde zijnde overeenkomst wel op de hoogte was van het afsluiten en het bestaan ervan en gesteld dat de onderhavige procedure ziet op die overeenkomst. [gedaagden]. heeft verder in zijn nadere toelichting geen onderscheid gemaakt tussen de overeenkomsten waarop de onderhavige procedure ziet en de overeenkomst waarop de eerdere procedure zag, terwijl alle overeenkomsten op dezelfde dag zijn afgesloten. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [gedaagden]. aldus dat het standpunt van [gedaagden]. op alle overeenkomsten betrekking heeft waarop onderhavige procedure ziet. [gedaagden]. heeft niet aangevoerd dat de passage in de conclusie van dupliek over de wetenschap van [gedaagde 2] in de eerdere procedure niet juist zou zijn. Hij stelt slechts dat [gedaagde 2] niet op de hoogte was van de inhoud van de overeenkomst en enkel wist dat het ging om sparen.
2.3.
Op grond van het voorgaande kan slechts worden geconcludeerd dat [gedaagde 2] kennelijk al vanaf aanvang van de overeenkomsten bekend was met het bestaan daarvan. Er wordt daarom geen waarde gehecht aan de verklaringen van [gedaagden]. voor zover daarin anders is verklaard. In tegenstelling tot wat [gedaagden]. meent, is de bekendheid van [gedaagde 2] met de juridische kwalificatie van de overeenkomsten niet van belang voor beantwoording van de vraag of het verjaringsberoep van Dexia slaagt. Het op dit verweer gebaseerde bewijsaanbod wordt dan ook, als niet ter zake doende, gepasseerd. [gedaagden]. heeft nog gewezen op een conclusie van de PG (ECLI:NL:PHR:2023:450. Deze conclusie betreft de aanvang van de verjaringstermijn bij vorderingen tot schadevergoeding. De kantonrechter ziet daarom daarin onvoldoende aanleiding om af te wijken van de bestaande jurisprudentie met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn bij een beroep op vernietigbaarheid wegens het ontbreken van toestemming van de eega. Nu de onderhavige overeenkomsten zijn aangegaan op 24 mei 1998, betekent het voorgaande en wat eerder in het tussenvonnis van 19 mei 2022 is overwogen, dat [gedaagde 2] eerder dan 13 maart 2000 op de hoogte was van de overeenkomsten en dat het beroep van Dexia op verjaring van de bevoegdheid tot vernietigen slaagt.
De vorderingen van Dexia
2.4.
[gedaagden]. heeft verder geen steekhoudende argumenten aangevoerd die ertoe zouden kunnen leiden dat hij nog een vordering op Dexia zou hebben. Dit betekent dat Dexia op grond van de overeenkomsten niets meer aan [gedaagden]. verschuldigd is. De vorderingen van Dexia zullen daarom worden toegewezen, als na te melden.
2.5.
[gedaagden]. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, als te melden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4] en [nummer 5] aan al haar verbintenissen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagden]. verschuldigd is.
3.2
veroordeelt [gedaagden]. in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot en met heden worden vastgesteld op:
a. kosten dagvaarding € 123,57
b. griffierecht € 83,00
c. salaris gemachtigde € 660,00,
5.4.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.