ECLI:NL:RBNHO:2023:10629

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
23 oktober 2023
Zaaknummer
C/15/344606/ HA RK 23-133
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning rechter wegens eerdere betrokkenheid bij vergelijkbare zaak

De kantonrechter heeft op 6 oktober 2023 schriftelijk verzocht zich te mogen verschonen in een lopende bodemprocedure waarin hij eerder in een kort geding tussen dezelfde partijen een uitspraak heeft gedaan. De raadsman van een partij maakte bezwaar tegen de behandeling door dezelfde rechter vanwege de overlap in feiten en vorderingen.

De rechter erkende dat hij reeds een oordeel had gegeven over de materie in het kort geding van 29 januari 2021, waarin onder meer een huurachterstand en gebreken aan het gehuurde aan de orde waren. Het gerechtshof Amsterdam had dit vonnis grotendeels bekrachtigd. De bodemprocedure betreft dezelfde partijen en vergelijkbare feiten, met een vordering tot vernietiging van de huurovereenkomst op grond van dwaling.

Gezien het risico op objectief gerechtvaardigde vrees voor schade aan de rechterlijke onpartijdigheid en het rolreglement van het kantongerecht, is het verzoek tot verschoning gegrond bevonden. De rechtbank wijst het verzoek toe en bepaalt dat de hoofdzaak door een andere rechter zal worden behandeld. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt toegewezen en de zaak wordt aan een andere rechter toegewezen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Verschoningskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/344606/ HA RK 23-133
Beslissing van 10 oktober 2023
Op het verzoek tot verschoning ingediend door:
Mr. J.J. Dijk
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1
De rechter heeft op 6 oktober 2023 schriftelijk verzocht zich te mogen verschonen in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Insolventie aanhangige zaak met als zaaknummer 10036352 CV EXPL 22-4639, hierna te noemen: de hoofdzaak.

2.De beoordeling

2.1
Een rechter kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2
De rechter heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd:
In de kantonzaak [naam 1] vs [naam 2] en [naam 3] , 1003652 CV EXPL 22-4639 ben ik als behandelend kantonrechter aangewezen. De mondelinge behandeling is bepaald op 12 oktober a.s. om 15.00 uur. Ik had mij in deze zaak tot op heden nog niet verdiept.
De raadsman van partij [naam 1] heeft, nadat de griffie aan partijen had doorgegeven dat ik de behandelend kantonrechter ben, bezwaar gemaakt en daartoe aangevoerd dat ik ook de rechter ben geweest die in kort geding tussen partijen op 29 januari 2021 vonnis heeft gewezen. De reconventionele vordering en al hetgeen
daartoe is aangevoerd in dat kort geding is nu (grotendeels) ook het onderwerp waarop de huidige bodemprocedure ziet. De raadsman maakt dan ook bezwaar tegen behandeling van de bodemprocedure door ondergetekende.
Ik onderschrijf dat bezwaar: ik heb door het kort geding vonnis immers al een oordeel gegeven over de materie waarover het nu in de bodemprocedure gaat. Het is verder ook in strijd met het door ons kantongerecht gehanteerde rolreglement als de rechter in het kort geding en in de bodemprocedure één en dezelfde persoon zijn.
2.3
In het licht van het in 2.1 weergegeven uitgangspunt dient beoordeeld te worden of de door de kantonrechter aangevoerde argumenten voldoende grond bieden voor toewijzing van het verzoek tot verschoning. Dat is het geval.
Het kort geding waarin de rechter op 29 januari 2021 vonnis heeft gewezen is aanhangig gemaakt door [naam 2] en [naam 3] en had in conventie betrekking op onder meer een vordering uit hoofde van een huurachterstand. In reconventie heeft [naam 1] – onder meer – gesteld dat in het gehuurde sprake was van bij de aanvang van de huur onbekende ernstige gebreken met name op het gebied van brandveiligheid. Volgens die partij rechtvaardigden de feiten in conventie reeds een beroep op dwaling. De kantonrechter heeft het beroep op dwaling gepasseerd en de stellingen van [naam 1] over de gebreken niet gevolgd en [naam 1] veroordeeld tot betaling van de openstaande bedragen uit hoofde van onder meer huurtermijnen en haar veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten en de vordering in reconventie afgewezen. [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis van de kantonrechter maar het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 20 juli 2021 het kort-gedingvonnis van de kantonrechter grotendeels bekrachtigd.
2.4
De hoofdzaak heeft [naam 1] aanhangig gemaakt tegen [naam 2] en [naam 3] en strekt onder meer tot vernietiging van de huurovereenkomst op grond van dwaling. Aan deze dwaling legt [naam 1] (opnieuw) stellingen over de haar bij het sluiten van de overeenkomst onbekende gebreken in de brandveiligheid van het gehuurde ten grondslag. De rechter heeft over die vordering en – een deel van - de daaraan door [naam 1] ten grondslag gelegde stellingen, zij het in het kader van een kort geding, al een (voorlopig) oordeel gegeven.
2.5
Hetgeen de kantonrechter aan haar verzoek tot verschoning ten grondslag heeft gelegd, kan gelet op die feiten in dit geval bij (een van) de partijen leiden tot objectief gerechtvaardigde vrees van schade aan de rechterlijke onpartijdigheid, omdat de rechter zich in de eerdere zaak over de vergelijkbare vordering tussen dezelfde partijen en daaraan ten grondslag gelegde vergelijkbare feiten reeds heeft uitgesproken.
2.6
De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve een grond voor verschoning. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.

3.Beslissing

De rechtbank
3.1
wijst het verzoek van de rechter tot verschoning toe,
3.2
bepaalt dat de hoofdzaak verder zal worden behandeld door een andere rechter en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem,
3.3
beveelt de griffier onverwijld aan de rechter en de partijen in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.M. Kos, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en
mr. J.L. Roubos, leden van de verschoningskamer, in tegenwoordigheid van
C. Vis-van Zanden griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.