ECLI:NL:RBNHO:2022:9911

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 oktober 2022
Publicatiedatum
9 november 2022
Zaaknummer
10051888 \ CV EXPL 22-2977
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v lid 7 BWArt. 7:58 lid 2 onder e BWArt. 7:60 BWArt. 4:34 lid 1 Wft
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende naleving precontractuele informatieplichten bij consumentenkredietovereenkomst

De eisende partij, een buitenlandse rechtspersoon, heeft een vordering ingesteld tegen de gedaagde, waarbij verstek is verleend. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, waarbij de handelaar moet voldoen aan (pre)contractuele informatieplichten uit Boek 6 BW ter bescherming van de consument.

De kantonrechter constateert dat de eisende partij onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij aan deze informatieplichten heeft voldaan. De overgelegde schermafbeeldingen van de webwinkel en andere documenten zijn niet concreet toegelicht, waardoor niet duidelijk is welke informatie relevant is en waaruit blijkt dat aan de wettelijke eisen is voldaan. Ook de bestelbevestiging en factuur voldoen niet aan de vereisten van artikel 6:230v lid 7 BW.

Daarnaast is vastgesteld dat het hier gaat om een consumentenkredietovereenkomst. De eisende partij heeft echter onvoldoende gesteld en onderbouwd dat is voldaan aan de informatieplichten uit titel 7:2A BW en de kredietwaardigheidstoets uit artikel 4:34 lid 1 Wft Pro, noch dat een uitzondering daarop van toepassing is.

Op grond van de procesrechtelijke regels moet de eisende partij de eis en de gronden daarvan volledig en naar waarheid aanvoeren, wat zij niet heeft gedaan. Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die voor de gedaagde partij nihil worden vastgesteld.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende naleving van de precontractuele informatieplichten en kredietwaardigheidstoets.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10051888 \ CV EXPL 22-2977
Uitspraakdatum: 20 oktober 2022
Vonnis in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Azzurro Investments S.Á. R.L.
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg)
de eisende partij
gemachtigde: Active Collecting Control & Services B.V.
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats], gemeente [gemeente]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.Het procesverloop

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.2.
De eisende partij heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
Artikel 6:230m lid 1 BW
2.3.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de eisende partij schermafbeeldingen van de webwinkel
(maxict.nl) overgelegd zonder concreet toe te lichten wat de kantonrechter daaruit zou moeten afleiden. De toelichting van de eisende partij op deze schermafbeeldingen bestaat uit het opsommen van de subonderdelen van artikel 6:230m lid 1 BW waarbij wordt verwezen naar overgelegde schermafbeeldingen van de webwinkel, algemene voorwaarden en een bestelbevestiging. Dit volstaat echter niet. Producties kunnen stellingen ondersteunen, maar niet vervangen. De partij die producties overlegt, moet inzichtelijk maken welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt van die partij. Een enkele verwijzing naar de producties is daarom onvoldoende. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. In een situatie als de onderhavige betekent dit dat de eisende partij expliciet en op een duidelijke manier, moet aangeven op welke schermafbeelding welke informatie van artikel 6:230m lid 1 BW te vinden is.
Artikel 6:230v lid 7 BW
2.4.
De eisende partij heeft ook niet voldoende toegelicht op welke wijze zij heeft voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW. De eisende partij heeft een bestelbevestiging en een factuur overgelegd. In de bestelbevestiging ontbreekt een zogenaamde header zodat niet kan worden vastgesteld dat deze aan de gedaagde partij is gestuurd. De overgelegde factuur, die ook als duurzame gegevensdrager kan worden aangemerkt, voldoet niet aan de eisen van artikel 6:230v lid 7 BW.
Consumentenkredietovereenkomst
2.5.
De kantonrechter is verder, met de eisende partij, van oordeel dat ook sprake is van een consumentenkredietovereenkomst.
2.6.
De kantonrechter constateert echter dat de eisende partij in haar dagvaarding onvoldoende (duidelijk) heeft gesteld en onderbouwd (i) dat is voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A BW, in het bijzonder de informatieplichten van artikel 7:60 BW Pro, en de kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 lid 1 Wet Pro op het financieel toezicht, of (ii) dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW.
Wat is hiervan het gevolg?
2.7.
Op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv Pro moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren.
2.8.
De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen. Gelet op artikel 3.5 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton wordt de eisende partij niet meer in de gelegenheid gesteld om haar vordering bij akte alsnog nader toe te lichten en te onderbouwen.
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter