ECLI:NL:RBNHO:2022:9608

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 oktober 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
C/15/330131 / HA ZA 22-435
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 99 RvArt. 103 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verwijzing van zaak naar andere rechtbank wegens relatieve bevoegdheid

In deze civiele procedure vordert de man afwikkeling van de verkoopopbrengst van een woning gelegen in de gemeente [gemeente 2], waarbij de vrouw de zaak incidenteel wil verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op grond van haar woonplaats.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 103 Rv Pro de rechtbank binnen wiens rechtsgebied de onroerende zaak is gelegen mede bevoegd is, naast de rechtbank van de woonplaats van de gedaagde zoals bepaald in artikel 99 Rv Pro. Omdat de woning in de gemeente [gemeente 2] ligt, valt deze onder de jurisdictie van de rechtbank Noord-Holland.

De vrouw heeft geen rechtsgeldige afspraak over relatieve bevoegdheid aangevoerd die afwijkt van de wettelijke regelingen. De rechtbank concludeert dat de man de keuze had om de zaak aan de rechtbank Noord-Holland of aan de rechtbank Noord-Nederland voor te leggen en ziet geen reden om de zaak te verwijzen.

De rechtbank oordeelt dat het incident onnodig is opgeworpen door de vrouw en veroordeelt haar in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt op 7 december 2022 voortgezet.

Uitkomst: Het verzoek tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland wordt afgewezen en de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/330131 / HA ZA 22-435
Vonnis in incident van 26 oktober 2022
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
eiser in conventie in de hoofdzaak,
verweerder in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. A.J. Butter te Hoorn (NH),
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. P.A.K. van Eck te Groningen.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 6 juli 2022, met elf producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie houdende eis in incident tevens voorwaardelijke eis in reconventie van 14 september 2022, met zeven producties;
  • de akte antwoord incident van 28 september 2022.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De hoofdzaak

2.1.
De man vordert in de hoofdzaak, verkort weergegeven, dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat de woning dient te worden afgewikkeld tegen een waarde van € 265.000,- en een hoogte van de hypotheek ad € 239.996,40, waarbij toekomt aan de vrouw € 7.501,80 en aan de man € 97.926,43;
voor recht verklaart dat, wanneer de rechtbank afwijkt van de bedragen onder i, op het aan de vrouw toekomende deel in mindering wordt gebracht € 5.000,- (de overwaarde ten tijde van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst die aan de man toekomt) en € 2.500,- (de aflossing van de lening);
bepaalt dat de vrouw over het aan de man toekomende bedrag de wettelijke rente is verschuldigd;
de vrouw veroordeelt binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis opdracht te geven aan de notaris om conform het vonnis tot afwikkeling over te gaan;
de vrouw veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
De vrouw vordert in het incident de zaak te verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.
Volgens de vrouw is de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, niet (relatief) bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Uitgangspunt in een dagvaardingsprocedure is de woonplaats van de gedaagde partij (artikel 99 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Op basis van de woonplaats van de vrouw is de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering. Een andersluidende afspraak tussen partijen ten aanzien van de relatieve bevoegdheid is niet gemaakt.
3.2.
De man stelt dat verwijzing niet noodzakelijk is. Artikel 103 Rv Pro bepaalt dat mede bepalend voor de relatieve bevoegdheid is de ligging van de onroerende zaak. In dit geval gaat de procedure om de afwikkeling van een onroerende zaak die is gelegen in [plaats] , gemeente [gemeente 2] . Deze gemeente ligt in het arrondissement van de rechtbank Noord-Holland, zodat deze rechtbank mede bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen. Daarbij wordt het volgende in overweging genomen.
3.4.
In de hoofdzaak is in geschil de afwikkeling van de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] te [plaats] , waarin partijen tot juni 2020 hebben samengewoond.
Artikel 103 Rv Pro bepaalt dat in zaken betreffende onroerende zaken, zoals hier aan de orde is, mede bevoegd is de rechter binnen wiens rechtsgebied de zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Het woord ‘mede’ duidt erop dat sprake is van een alternatieve bevoegdheidsregeling naast die van artikel 99 Rv Pro. De man had, nu de onroerende zaak waarover het in de hoofdzaak gaat gelegen is in de gemeente [gemeente 2] en daarmee in het ambtsgebied van de rechtbank Noord-Holland, dus de keuze om het geschil voor te leggen aan de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, op grond van artikel 103 Rv Pro of aan de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op grond van artikel 99 Rv Pro.
Voor de verzochte verwijzing van de zaak ziet de rechtbank daarom geen grond.
3.5.
Uit het voorgaande blijkt dat de vrouw het incident onnodig heeft opgeworpen. De kosten van het incident zijn aldus nodeloos door de vrouw veroorzaakt. De vrouw dient daarom te worden veroordeeld in de kosten.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt de vrouw in de kosten van het incident, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 563,-,
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
7 december 2022voor conclusie van antwoord in reconventie.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2022. [1]

Voetnoten

1.type: AFS/ST