ECLI:NL:RBNHO:2022:9552

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 oktober 2022
Publicatiedatum
27 oktober 2022
Zaaknummer
10123460 \ CV EXPL 22-5813
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v lid 3 BWArt. 6:230v lid 7 BWArt. 7:2A BWArt. 7:58 lid 2 BW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende naleving precontractuele informatieplichten consument

De zaak betreft een civiele bodemprocedure tussen Greenacre Capital Group B.V. als eisende partij en een consument als gedaagde. De eisende partij vordert betaling op grond van een overeenkomst waarbij sprake is van een consumententransactie. De kantonrechter toetst ambtshalve of de eisende partij heeft voldaan aan de wettelijke precontractuele informatieplichten zoals neergelegd in Boek 6, titel 5, afdeling 2B BW.

De eisende partij heeft nagelaten voldoende te stellen en te onderbouwen dat zij op duidelijke en begrijpelijke wijze essentiële informatie aan de consument heeft verstrekt. Zo ontbreken schermafdrukken van het bestelproces en is onduidelijk welke bestelknop de consument moest aanklikken om een betalingsverplichting aan te gaan. Ook is onvoldoende toegelicht hoe is voldaan aan de contractuele informatieplicht en ontbreekt bewijs dat een bestelbevestiging daadwerkelijk aan de consument is gestuurd.

Daarnaast is vastgesteld dat sprake is van een consumentenkredietovereenkomst, waarbij de eisende partij uitstel van betaling verleende. De eisende partij heeft nagelaten te stellen en te onderbouwen dat is voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A BW of dat een uitzondering daarop van toepassing is.

Gelet op de stelplicht en de eisen aan de dagvaarding wordt de vordering afgewezen. De eisende partij krijgt geen gelegenheid tot nadere toelichting. De proceskosten worden aan de eisende partij opgelegd.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende naleving en onderbouwing van precontractuele informatieplichten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10123460 \ CV EXPL 22-5813
Uitspraakdatum: 19 oktober 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Greenacre Capital Group B.V., voorheen genaamd
Incassopartners B.V.
gevestigd te Leiden
de eisende partij
gemachtigde: LikiFin
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.2.
De eisende partij heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
Artikel 6:230m lid 1 BW
2.3.
De eisende partij heeft nagelaten een met schermafdrukken onderbouwde toelichting op het bestelproces te overleggen, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen dat aan de gedaagde partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde essentiële informatie is verstrekt.
Artikel 6:230v lid 3 BW
2.4.
De eisende partij heeft ook niet voldoende toegelicht hoe de bestelknop luidt die de consument moet aanklikken voordat het bestelproces wordt afgerond en waarbij voor de consument een betalingsverplichting ontstaat. De eisende partij moet concreet stellen en onderbouwen welke bestelknop de consument moet aanklikken en hoe de bewoordingen op die bestelknop luiden. Dit heeft zij nagelaten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat aan de gedaagde partij een duidelijke mededeling is gedaan dat met het aanklikken van de bestelknop een betalingsverplichting wordt aangegaan en dat dus voldaan is aan de verplichting van artikel 6:230v lid 3 BW.
Artikel 6:230v lid 7 BW
2.5.
Tevens heeft eisende partij niet voldoende toegelicht op welke wijze zij heeft voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW. De eisende partij heeft een bestelbevestiging overgelegd, zonder daarop een toelichting te geven. Bovendien ontbreekt een zogenaamde header zodat (ook) niet kan worden vastgesteld dat deze aan de gedaagde partij is gestuurd.
Consumentenkredietovereenkomst
2.6.
Tot slot heeft de kantonrechter geconstateerd dat tussen de (rechtsvoorganger van de) eisende partij en de gedaagde partij een kredietovereenkomst is gesloten. Partijen zijn namelijk overeengekomen dat de gedaagde partij het aankoopbedrag van de bij de webwinkel bestelde goederen na levering van die goederen aan de (rechtsvoorganger van de) eisende partij betaalt. Het aan de gedaagde partij verlenen van uitstel van betaling is een vorm van kredietverstrekking. Dit betekent dat de eisende partij in dit soort zaken (in het vervolg) ook moet stellen en onderbouwen (i) dat is voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A BW of (ii) dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 BW Pro. De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat (ook) het ontbreken van onderbouwde stellingen op dit punt in eventuele vervolgprocedures kan leiden tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering.
Wat is hiervan het gevolg?
2.7.
Op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv Pro moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren.
2.8.
De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen. Gelet op artikel 3.5 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton wordt de eisende partij niet meer in de gelegenheid gesteld om haar vordering bij akte alsnog nader toe te lichten en te onderbouwen.
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter