Eiseres en gedaagde, broer en zus en erfgenamen van hun overleden oom, zijn in geschil geraakt over onrechtmatige onttrekkingen uit de nalatenschap door gedaagde. Gedaagde had een volmacht om het vermogen van erflater te beheren, maar maakte grote bedragen over naar zijn privé- en bedrijfsrekeningen.
De rechtbank beoordeelde drie pijnpunten: een vermeende lening van €50.000 aan een vennootschap van gedaagde, een licentieovereenkomst van €50.000 voor software waarvan de echtheid van de handtekening van erflater werd betwist, en privé-overboekingen van €22.358. Voor de lening werd vastgesteld dat deze was terugbetaald en geen schade veroorzaakte. De licentieovereenkomst werd niet bewezen en de betaling werd als onrechtmatig aangemerkt, waardoor gedaagde schadeplichtig is voor €50.000.
Voor de privé-overboekingen werd vastgesteld dat €5.612,80 zonder grondslag was overgemaakt. Er was geen bewijs van opzettelijke verzwijging door gedaagde. De rechtbank stelde het aandeel van eiseres in de nalatenschap vast op €169.635,74 plus rente en bepaalde de wijze van verdeling, waarbij proceskosten tussen partijen werden gecompenseerd.