Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Stichting Intermaris
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een vordering van Stichting Intermaris tegen een huurder voor betaling van huur en huurachterstanden. De huurder woonde sinds 2017 in een woning die in juli 2019 van eigenaar wisselde van Stichting Mooiland naar Intermaris.
Intermaris vordert betaling van de huur over juli 2019 en een huurachterstand die zou zijn ontstaan bij de vorige verhuurder Mooiland. De huurder betwist de vordering en stelt dat de huurovereenkomst in februari 2019 is ontbonden en zij de woning in maart 2019 heeft verlaten. Zij heeft tot april 2019 betaald en daarna onbetaald werkzaamheden verricht.
De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet eerder dan 31 juli 2019 is geëindigd, omdat de huurder tot die datum in de woning verbleef, de sleutels pas toen heeft ingeleverd en er geen bewijs is van een eerdere beëindiging. De cessie van de huurachterstand van Mooiland aan Intermaris is niet gesteld of onderbouwd, waardoor deze vordering wordt afgewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens het ontbreken van een correcte aanmaning.
De kantonrechter veroordeelt de huurder tot betaling van € 536,05 huur over juli 2019 met wettelijke rente vanaf de dagvaarding en bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
Uitkomst: Huur over juli 2019 met rente toegewezen, overige vorderingen afgewezen wegens ontbrekende cessie en onjuiste incassokosten.