Eiser is eigenaar van een hoekwoning uit 1874 en betwist de vastgestelde WOZ-waarden voor 2020 en 2021, die respectievelijk op €176.000 en €193.000 waren gesteld. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarderingen ondanks bezwaar van eiser. De rechtbank beoordeelde of de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met de specifieke kenmerken van de woning, zoals de ligging op het laagste punt van de straat met wateroverlast en de slechte bouwkundige staat.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waardering niet te hoog was. De toegezegde correctie van 10% voor de ligging bleek niet uit de waardematrix en de kwalitatieve staat van de woning was slechter dan in de waardematrix was weergegeven. Eiser had een lagere waarde van €161.000 voorgesteld, maar kon deze niet voldoende onderbouwen.
De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde voor 2020 en 2021 vast op €170.000 respectievelijk €176.000. Tevens werd de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verminderd en het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. De beroepen werden gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar vernietigd.