ECLI:NL:RBNHO:2022:711

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 januari 2022
Publicatiedatum
31 januari 2022
Zaaknummer
8851489 \ CV EXPL 20-9146
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1835 BWArt. 8:1390 BWVerordening (EG) nr. 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid passagier wegens overschrijding vervaltermijn luchtvaartclaim

De passagier heeft een vordering ingesteld tegen de vervoerder voor compensatie wegens annulering van een vlucht van Ibiza naar Amsterdam op 30 juni 2018. De passagier baseert zijn vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie regelt bij annulering van vluchten.

De vervoerder stelt dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een staking van de Franse luchtverkeersleiding, en betwist de vordering. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het om een overeenkomst van luchtvervoer gaat, waarop artikel 8:1835 BW Pro van toepassing is.

Volgens dit artikel vervalt iedere vordering uit hoofde van een overeenkomst van luchtvervoer na twee jaar, gerekend vanaf de dag volgend op de dag van aankomst of de dag waarop het luchtvaartuig had moeten aankomen. De passagier is op 30 juni 2018 gearriveerd, waardoor de vervaltermijn op 30 juni 2020 afloopt. De dagvaarding is echter pas op 18 september 2020 uitgebracht, waardoor de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard. De proceskosten worden aan de passagier opgelegd.

Uitkomst: Passagier wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de tweejaarsvervaltermijn en veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8851489 \ CV EXPL 20-9146
Uitspraakdatum: 26 januari 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: Yource B.V
procesgemachtigde: Verdex B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht, easyJet
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, woonplaats hebbende en kantoorhoudende te Schiphol.
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas

1.Het procesverloop

1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 18 september 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Ibiza Airport (Spanje) naar Amsterdam Schiphol Airport op 30 juni 2018, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht is geannuleerd.
2.3.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Hij voert daartoe aan dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening, te weten een staking van de Franse luchtverkeersleiding. Deze staking zou een directe impact hebben op de vlucht in kwestie. Het toestel zou door het luchtruim van Marseille moeten vliegen en zou dan ook onderworpen worden aan Air Traffic Control restricties. De vervoerder voert aan er alles aan te hebben gedaan om de vertraging van de passagiers zo veel mogelijk te beperken.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Het gaat hier om een vordering ter zake van een overeenkomst van luchtvervoer in de zin van artikel 8:1390 BW Pro. Deze vaststelling is onder meer daarom van belang nu artikel 8:1835 BW Pro bepaalt dat iedere vordering uit hoofde van een dergelijke overeenkomst vervalt door verloop van twee jaren, welke termijn aanvangt met de dag volgend op de dag van aankomst van het luchtvaartuig ter bestemming of de dag waarop het luchtvaartuig had moeten aankomen of van de onderbreking van het luchtvervoer.
5.3.
In dit geval zijn de passagiers op 30 juni 2018 op hun eindbestemming gearriveerd. De datum waarop de termijn van twee jaren gaat lopen is dus, zo blijkt uit artikel 8:1835 BW Pro, 1 juli 2018. Daarmee staat vast dat de laatste dag waarop de passagiers de vordering hadden kunnen indienen 30 juni 2020 is. Dat is immers de laatste dag voordat de twee jarentermijn is verlopen. De dagvaarding is uitgebracht op 18 september 2020. Dit betekent dat de vordering ná de vervaldatum van 30 juni 2020 is ingediend. De passagiers moeten daarom in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan de inhoudelijke verweren komt de kantonrechter derhalve niet toe.
5.4.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
verklaart de passagiers niet-ontvankelijk in hun vordering;
6.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 150,00 en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 37,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.
6.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter