ECLI:NL:RBNHO:2022:7070
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 4.24 Wet IB 2001 op negatieve vervreemdingsvoordelen bij inbreng participaties in aanmerkelijk belang
Eiser heeft in 2016 participaties in verschillende vrijgestelde beleggingsinstellingen ingebracht in een door hem beheerde vennootschap, wat leidde tot negatieve vervreemdingsvoordelen. Verweerder weigerde deze negatieve vervreemdingsvoordelen in aftrek te nemen op grond van artikel 4.24 van de Wet IB 2001, omdat eiser op het moment van vervreemding nog een belang behield bij de activiteiten van de fondsen.
Eiser betoogde dat het verlies definitief was omdat de activiteiten van de fondsen vrijwel geheel waren beëindigd direct na de vervreemding, en dat toepassing van artikel 4.24 daarmee niet passend was. Tevens voerde eiser aan dat toepassing van artikel 4.24 in strijd zou zijn met internationale verdragsverplichtingen, verwijzend naar het kerstarrest van de Hoge Raad.
De rechtbank oordeelde dat het relevante toetsmoment het moment van vervreemding is, waarop eiser nog een belang behield bij de activiteiten. Het voornemen om de activiteiten te beëindigen doet hieraan niet af. De rechtbank verwierp ook het beroep op het kerstarrest, omdat de situatie niet vergelijkbaar is en het forfaitaire stelsel van artikel 4.14 Wet IB 2001 uiteindelijk leidt tot belastingheffing over het werkelijk genoten voordeel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag zoals opgelegd door verweerder. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag waarbij negatieve vervreemdingsvoordelen niet in aftrek worden genomen.