ECLI:NL:RBNHO:2022:6951

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 augustus 2022
Publicatiedatum
5 augustus 2022
Zaaknummer
9920077 CV EXPL 22-2774
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v lid 7 BWArt. 3:40 lid 2 BWArt. 3:41 BWArt. 6:193b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering wegens schending precontractuele informatieplicht in consumentenkoop op afstand

De zaak betreft een vordering van Coeo Securitisation Ltd. tegen een consument over een koopovereenkomst op afstand. De gedaagde partij is verstek verklaard. De kantonrechter toetst ambtshalve of aan de precontractuele en contractuele informatieplichten is voldaan, zoals vereist in consumentenkoop.

De eisende partij heeft voldoende onderbouwd dat aan de precontractuele informatieplicht van artikel 6:230m lid 1 BW is voldaan. Echter, zij heeft niet kunnen aantonen dat zij heeft voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 onder a BW, omdat de concrete bestelbevestiging aan de gedaagde ontbreekt.

Op grond van jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad wordt de schending van deze informatieplicht bestraft met een gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst voor 25% van de hoofdsom. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens ontbreken van een correcte aanmaning. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van 75% van de hoofdsom plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen met een korting van 25% op de hoofdsom wegens schending van de contractuele informatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 9920077 \ CV EXPL 22-2774
Uitspraakdatum: 10 augustus 2022
Verstekvonnis in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Coeo Securitisation Ltd.
gevestigd te Dublin, Ierland
de eisende partij
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De vordering is gebaseerd op een koopovereenkomst op afstand met betrekking tot een zaak tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
De precontractuele informatieplichten
2.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de eisende partij met de door haar overgelegde stukken en toelichting daarop voldoende onderbouwd toegelicht dat bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW.
De contractuele informatieplicht
2.3.
De eisende partij vindt dat zij heeft voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 onder a BW. Zij heeft de bestelbevestiging overgelegd van de bestelling van de gedaagde partij, maar zonder de zogenoemde header.
2.4.
Om te kunnen vaststellen dat is voldaan aan artikel 6:230v lid 7 onder a BW moet een aan de gedaagde partij verzonden bestelbevestiging van de webshop van de eisende partij worden overgelegd die voldoet aan de eisen van dat artikel. Dat wil zeggen een concrete, daadwerkelijk aan de gedaagde partij verzonden bestelbevestiging. Die ontbreekt in dit geval. De stelling van de eisende partij dat de betreffende informatie (ook) is te raadplegen in het persoonlijke account van de gedaagde partij, is niet onderbouwd met stukken.
2.5.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat de eisende partij niet aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW heeft voldaan en zal daarvoor een sanctie toepassen.
Welke sanctie hoort hierbij?
2.6.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677) moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
2.7.
In deze zaak heeft de eisende partij de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW geschonden. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde hoofdsom. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan de artikelen 6:193b, 6:193d, 6:193f en 6:193j BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is.
Wat is toewijsbaar?
2.8.
Gelet op het voorgaande is van de oorspronkelijke hoofdsom van € 111,03, een bedrag van € 83,27 (€ 111,03 x 0,75) toewijsbaar.
2.9.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat de eisende partij de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro, waarop zij zich ter onderbouwing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten beroept, niet heeft overgelegd. Daarmee is in strijd gehandeld met artikel 85 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het overgelegde afschrift van de e-mail is niet voldoende, nu daarin de zogenoemde header ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld of de e-mail is verstuurd en naar welk adres. De overgelegde schermafdruk uit het systeem van de handelaar is (ook) niet voldoende, omdat daaruit niet blijkt dat de aanmaning is verstuurd en naar welk adres.
2.10.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing is opgenomen.
2.11.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 83,27, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 107,22 wegens dagvaardingskosten,
€ 128,00 wegens griffierecht en
€ 37,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter