ECLI:NL:RBNHO:2022:658

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 januari 2022
Publicatiedatum
31 januari 2022
Zaaknummer
C/15/317916 / FA RK 21-3181
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:4 BWArt. 10:20 BWArt. 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag en wijziging voornaam minderjarige wegens afwezigheid vader

De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. Tevens verzoekt zij de voornaam van het kind te wijzigen vanwege religieuze redenen en praktische problemen door het ontbreken van toestemming van de vader. De vader is sinds vier jaar onvindbaar en onbereikbaar, waardoor overleg onmogelijk is en de moeder alle beslissingen alleen moet nemen.

De rechtbank stelt vast dat het kind haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft en dat Nederlands recht van toepassing is. Op grond van gewijzigde omstandigheden en het ontbreken van contact tussen ouders, is het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind. De rechtbank concludeert dat het eenhoofdig gezag aan de moeder moet worden toegekend.

Daarnaast wordt het verzoek tot wijziging van de voornaam toegewezen omdat er een zwaarwichtig belang bestaat en de nieuwe naam geoorloofd is volgens de wet. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt opgedragen de wijziging in de geboorteakte aan te brengen.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder krijgt het eenhoofdig gezag; tevens wordt de voornaam van het kind gewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezag
wijziging voornaam
zaak-/rekestnr.: C/15/317916 / FA RK 21-3181
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 28 januari 2022
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. D.E. Oud, kantoorhoudende te Wormerveer,
tegen
[verweerder],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de vader.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met bijlagen van de moeder, ingekomen op 29 juni 2021.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 januari 2022 in aanwezigheid van de moeder, bijgestaan door mr. D.E. Oud. De vader is - hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in de [geboorteplaats] .
De vader heeft de minderjarige erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag.
De minderjarige woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
Het verzoek van de moeder strekt tot wijziging van het gezag over voornoemde minderjarige, in die zin dat voortaan het gezag voortaan alleen aan haar toekomt. De moeder verzoekt voorts te bepalen dat de voornaam van de minderjarige [naam A] wordt gewijzigd in “ [naam B] ”.
3.2.
Zij voert daartoe aan dat de vader vier jaar gelden naar het buitenland is vertrokken en dat er sindsdien geen contact meer met hem is. Dit leidt ertoe dat zij niet met de vader kan overleggen over [de minderjarige] en dat zij alle beslissingen alleen moet nemen. Bovendien ondervindt zij problemen als voor beslissingen over [de minderjarige] de toestemming van de vader is vereist. De moeder stelt daarom dat het niet langer in het belang van [de minderjarige] is dat het gezamenlijk gezag blijft voortduren. De moeder licht nog toe dat zij last ondervindt van het ontbreken van de toestemming van de vader bij het reizen met [de minderjarige] naar het buitenland. Het eenhoofdig gezag is volgens de moeder mede noodzakelijk voor indiening van het verzoek tot voornaamswijziging, omdat daarvoor ook de toestemming van de vader als mede gezaghebbende ouder vereist is.
3.3.
De moeder doet haar verzoek tot voornaamswijziging van [de minderjarige] op religieuze gronden. Immers, zij heeft mede de Marokkaanse nationaliteit en is moslima. Zij wil [de minderjarige] laten inschrijven in het register bij het Marokkaanse consulaat. Daartoe dient een persoon een Marokkaans goedgekeurde naam te bezitten, wat de westerse naam [naam A] niet is. De gevolgen van het niet kunnen inschrijven van haar dochter in de registers zijn voor haar onoverkomelijk, omdat haar dochter bijvoorbeeld niet zal kunnen worden begraven in Marokko. Ook zal haar dochter geen aanspraak kunnen maken op erfenissen. Volgens de moeder wordt haar dochter in de praktijk al langere tijd [naam B] genoemd en vindt zij dat prettig.
3.4.
De moeder licht ter zitting nog toe dat zij de vader op geen enkele manier kan bereiken. Zij vreest dat dit problemen zal opleveren als er met spoed een beslissing over hun dochter moet worden genomen. Ook de familie van de vader heeft geen contact met hem. De moeder onderhoudt wel enig contact met haar schoonfamilie. De moeder benadrukt dat de vader [de minderjarige] mag zien, als hij zich weer zou melden.

4.Verweer

De vader is niet in de procedure verschenen.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de vader de Nederlandse nationaliteit bezit, en dat de moeder en het kind - naar mag worden aangenomen - zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit bezitten.
Gezag
bevoegdheid en toepasselijk recht
5.2.
Het verzoek tot wijziging van het gezag valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II bis).
Ingevolge artikel 8, eerste lid, Brussel II bis zijn in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid, zoals in dit geval, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Nu de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Ingevolge artikel 17 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht toepasselijk op het verzoek.
het verzoek
5.2.
Ingevolge artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.3.
Vaststaat dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n, eerste lid, BW.
5.4.
Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.5.
De rechtbank concludeert uit de stukken en hetgeen door de moeder ter zitting naar voren is gebracht dat de vader al geruime tijd niet bereikbaar is voor de moeder en dat daarom de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag van de ouders ontbreekt. Daarmee bestaat het risico dat de beslissingen over het kind, bijvoorbeeld over de schoolkeuze of medisch handelen, niet in het vereiste tempo genomen kunnen worden. De moeder loopt nu al tegen praktische problemen op, zoals bij het reizen met het kind naar het buitenland en bij de gewenste voornaamswijziging van het kind. Er zijn geen aanwijzingen dat partijen in de nabije toekomst wel weer op ouderniveau met elkaar zullen kunnen overleggen over het kind, nu de vader al geruime tijd onvindbaar en onbereikbaar is.
5.6.
Gelet op het voorgaande en omdat de vader het verzoek niet heeft weersproken, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder overeenkomstig haar verzoek met het eenhoofdig gezag zal worden belast.
Wijziging voornaam
bevoegdheid en toepasselijk recht
5.3.
Nu de moeder in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 3 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
5.4.
De vraag welk namenrecht van toepassing is, wordt beheerst door artikel 10:20 BW Pro. Daarin staat dat de geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, bepaald worden door het Nederlandse recht, ongeacht de vraag of zij nog een andere nationaliteit heeft. Nu verzoekster en het kind onder meer de Nederlandse nationaliteit bezitten, is Nederlands recht op het verzoek tot naamswijziging van toepassing.
het verzoek
5.5.
Artikel 1:4 lid 4 BW Pro bepaalt dat wijziging van de voornamen op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger door de rechtbank kan worden gelast.
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en de toelichting daarop ter zitting voldoende gebleken van een zwaarwichtig belang bij toewijzing van het verzoek tot voornaamswijziging van het kind. De gevraagde voornaam is ook geoorloofd naar de maatstaven van artikel 1:4, tweede lid, BW. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige
[geslachtsnaam] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ,
wordt beëindigd en dat de moeder voortaan alleen het gezag over voornoemde minderjarige toekomt;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlemmermeer van deze beschikking een latere vermelding toe te voegen aan de akte van geboorte onder nummer [x] voorkomende in de registers van de burgerlijke stand over het jaar 2012 in die zin dat de voornaam van de op [geboortedag] 2012 in de [geboorteplaats] geboren [minderjarige] zal worden gewijzigd in " [naam B] ";
6.4.
draagt - op grond van artikel 1:20e lid 1 BW – de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking - en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld - een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Haarlemmermeer;
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C.M. Swinkels, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van M. Struijk als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2022.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.