ECLI:NL:RBNHO:2022:618

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2022
Publicatiedatum
28 januari 2022
Zaaknummer
9567585 WM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 14 WAHVArtikel 3 lid 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen proceskostenvergoeding bij administratieve boete in verkeersrecht

Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd en stelde daartegen beroep in bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond of niet-ontvankelijk verklaarde. Betrokkene ging vervolgens in beroep bij de kantonrechter.

De kern van het geschil betrof de proceskostenvergoeding die de officier van justitie had toegekend op basis van samenhangende zaken. De kantonrechter oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat de zaken gelijktijdig waren behandeld en dat de werkzaamheden van de gemachtigde nagenoeg identiek waren. Daarom was de vergoeding voor samenhangende zaken onterecht toegekend en werd die beslissing vernietigd.

Vervolgens werd de officier van justitie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor de administratief beroepfase, berekend op basis van één punt met een wegingsfactor van 0,5, wat neerkomt op €270,50. De uitspraak is gedaan door kantonrechter B. Voogd en is openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De kantonrechter vernietigt de proceskostenvergoeding van €200,25 en veroordeelt tot een nieuwe vergoeding van €270,50.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 9567585 \ WM VERZ 21-709
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 21 januari 2022
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : Appjection B.V. (M. Lagas)

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 januari 2022. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene (O. Acar) is ook verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

Betrokkene voert in het beroepschrift aan dat de officier van justitie in zijn beslissing de proceskosten onjuist heeft vastgesteld. De officier van justitie heeft een bedrag van € 200,25 toegekend. Voorts voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie ten onrechte heeft beslist dat er sprake is van een samenhangende zaak, danwel de proceskosten nog niet zijn overgemaakt, danwel te laag is vastgesteld.
De kantonrechter is van oordeel dat de officier van justitie ten onrechte een vergoeding van proceskosten heeft toegekend op basis van een vergoeding voor samenhangende zaken. Daarover wordt het volgende overwogen.
In artikel 3 lid 2 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) staat dat sprake is van samenhangende zaken als door een belanghebbende ingestelde beroepen door het bestuursorgaan gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden van die persoon in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Doorslaggevend voor de beoordeling of zaken als samenhangend kunnen worden gezien is in hoeverre de door de gemachtigde uitgevoerde werkzaamheden identiek of nagenoeg identiek zijn. Er kan niet worden vastgesteld dat alle zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld en dat de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De kantonrechter is van oordeel dat de officier van justitie onderhavige zaak ten onrechte als samenhangend heeft beschouwd, in zoverre is het beroep gegrond. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie van 1 juni 2021, waarbij een kostenvergoeding ad € 200,25 is toegewezen, vernietigen.
De gemachtigde heeft een kostenveroordeling gevraagd wegens een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking.
De gemachtigde van de betrokkene heeft in de fase van het administratief beroep de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal de kantonrechter de officier van justitie voor de fase van administratief beroep veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 270,50 (=1 x € 541,00 x 0,5).
Nu de kantonrechter onderhavige zaak als samenhangend beschouwd met één andere ter zitting behandelde zaak, namelijk het dossier met kenmerk 9544923 / WM VERZ 21-664 en behoeft op het verzoek tot proceskostenvergoeding voor de fase bij de kantonrechter niet meer te worden beslist.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep tegen de proceskostenvergoeding van de officier van justitie gegrond voor zover daarbij ten aanzien van deze zaak is bepaald dat die als samenhangend met de overige in de beslissing van 1 juni 2021 genoemde zaken moet worden aangemerkt en voor zover daarbij is bepaald dat de kostenvergoeding van € 200,25 voor samenhangende zaken ook betrekking heeft op deze zaak, en vernietigt die beslissing in zoverre;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten tot een bedrag van € 270,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
‒ bepaalt dat het bedrag van € 207,50 aan de gemachtigde van betrokkene zal worden uitbetaald door het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: