ECLI:NL:RBNHO:2022:6114
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens drugshandel in gemeente Zandvoort
Eiser werd door de burgemeester van Zandvoort gelast om geen verdovende middelen meer te verhandelen of in bezit te hebben binnen de gemeente, onder dreiging van een dwangsom van €2.500 per dag tot maximaal €25.000. Dit besluit volgde op een bestuurlijke rapportage waarin politie vondsten van cocaïne en attributen voor drugshandel bij eiser en in een voertuig werden beschreven.
Eiser stelde dat artikel 2:74 APV Pro onduidelijk is en dat niet is vastgesteld dat hij het kennelijke doel had om drugs te verhandelen. Ook betoogde hij dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, disproportioneel en zijn grondrechten schaadt. Verweerder verwees naar vaste rechtspraak waarin een hoeveelheid van 0,5 gram harddrugs of meer als handelshoeveelheid wordt gezien, en dat de bestuurlijke rapportage betrouwbaar is.
De rechtbank oordeelde dat artikel 2:74 APV Pro voldoende duidelijk is door koppeling met de Opiumwet en dat het kennelijke doel per geval moet worden beoordeeld. De bestuurlijke rapportage is betrouwbaar en de aanwezigheid van 15,7 gram cocaïne en andere goederen rechtvaardigt het oordeel dat sprake is van handel. Het feit dat eiser niet strafrechtelijk is veroordeeld doet hieraan niet af.
Verder concludeerde de rechtbank dat de belangenafweging en motivering van het besluit zorgvuldig zijn, de dwangsom proportioneel is en geen onrechtmatige inperking van grondrechten plaatsvindt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 2:74 APV Zandvoort wordt ongegrond verklaard.