ECLI:NL:RBNHO:2022:4479
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond: onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding bij terugvordering bijstandsuitkering
Eiser werd door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering van €85.862,29 aan ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering door zijn ex-echtgenote. Verweerder stelde dat eiser vanaf 5 februari 2014 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-echtgenote, waardoor hij aansprakelijk was voor de terugvordering.
De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder getuigenverklaringen, observaties, bankgegevens en een strafrechtelijk onderzoek met observaties en camera-opnames. Uit deze onderzoeken bleek dat eiser vanaf 1 september 2017 zijn hoofdverblijf had in de woning van zijn ex-echtgenote, maar onvoldoende bewijs bestond voor de periode van 2014 tot 1 september 2017.
De rechtbank oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding niet van toepassing was voor de periode 2014-2017 vanwege gebrek aan overtuigend bewijs. Het beroep van eiser werd daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij de terugvordering wordt beperkt tot de periode vanaf 1 september 2017. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van bijstand over 2014-2017 wordt vernietigd.