De rechtbank Noord-Holland heeft in een zaak over vervangende toestemming tot erkenning van twee minderjarige kinderen een rechtsgeldig DNA-verwantschapsonderzoek gelast om vast te stellen of de verzoeker de biologische vader is. De moeder betwist het vaderschap niet, maar maakt bezwaar tegen erkenning vanwege de verstoorde relatie en mogelijke gevolgen voor het gezag.
De rechtbank oordeelt dat emotionele weerstand van de moeder onvoldoende is om vervangende toestemming te weigeren, tenzij dit de belangen van het kind schaadt. De communicatie tussen partijen is moeizaam, maar erkenning zal naar het oordeel van de rechtbank de belangen van de kinderen niet schaden. De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast waarbij de kinderen om de week op woensdagmiddag onder begeleiding bij de man verblijven.
De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het DNA-onderzoek en voortgang van de tijdelijke omgangsregeling en hulpverlening. Partijen dienen gezamenlijk de kosten van het DNA-onderzoek te betalen. De rechtbank wijst erop dat verdere beslissingen over erkenning, gezag en omgang volgen na ontvangst van het DNA-rapport en nadere informatie.