Partijen hadden een affectieve relatie en een minderjarig kind. Zij sloten in 2019 een overeenkomst waarin de man een kinderbijdrage van €100 per maand zou betalen, verrekend met een schuld van de vrouw aan de man. De vrouw verzocht om een hogere kinderbijdrage en een omgangsregeling waarbij het kind bij de man verblijft volgens een schema. De man verzocht om toewijzing van de omgang en gezamenlijk gezag, en om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot verhoging van de kinderbijdrage.
De rechtbank oordeelde dat de omgangsregeling en het gezamenlijk gezag kunnen worden vastgesteld conform de wensen van partijen, omdat dit niet in strijd is met het belang van het kind. Ten aanzien van de kinderbijdrage stelde de rechtbank vast dat de gemaakte afspraken niet in grove miskenning van de wettelijke maatstaven zijn gemaakt en dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling rechtvaardigt.
Daarom verklaarde de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage. Elk van de partijen draagt de eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan met tussenkomst van een advocaat binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam.