Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen hadden een affectieve relatie en waren gezamenlijk eigenaar van een woning. Na de relatiebreuk in juni 2021 verliet de vrouw de woning en woont nu met de kinderen in een huurwoning met hoge lasten. De vrouw wil haar aandeel in de overwaarde benutten om een woning met lagere woonlasten te kopen. De man wil in de woning blijven wonen vanwege het belang van de kinderen, maar geeft aan niet over voldoende financiële middelen te beschikken om de vrouw uit te kopen.
De vrouw vordert primair dat de woning via een makelaar wordt verkocht met een bindende vraag- en laatprijs en dat de man verplicht wordt mee te werken aan het verkooptraject. Subsidiair vordert zij toedeling aan de man onder voorwaarden of verkoop aan een derde indien toedeling niet mogelijk is. De man voert verweer en benadrukt het belang van de kinderen bij het behouden van de woning.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is en dat de man onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven over zijn financieringsmogelijkheden. Het belang van de kinderen weegt niet zwaarder dan het recht van de vrouw op haar aandeel in de overwaarde. Daarom wordt de primaire vordering toegewezen en wordt een makelaar benoemd die een bindende prijs vaststelt. De man wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop en levering, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank beveelt verkoop van de gemeenschappelijke woning via makelaar vanwege onvermogen van de man tot overname, met verplichte medewerking en dwangsom.