Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
- in mei 2018: € 800,-
- in mei 2019: € 800,-
- in mei 2020: € 600,-
3.De vordering
4.Het verweer
5.De beoordeling
€ 124,-(1,0 punten x tarief )
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een geschil over de huur van een perceel grond te Limmen tussen eiser, verhuurder, en gedaagde, huurder. De kern van het geschil is de betaling van huurtermijnen over de periode van 2016 tot 2021, waarbij eiser stelt dat gedaagde nog €1.000,- aan huur verschuldigd is.
Gedaagde betwist dit en voert aan dat alle huurtermijnen zijn betaald, dat een deel van de grond sinds 2019 direct van de gemeente in gebruik was, en dat hij schade heeft geleden door een defecte drainage. De kantonrechter stelt vast dat de huurperioden van 1 september tot 31 augustus lopen en dat gedaagde onvoldoende onderbouwt dat hij een afwijkende afspraak over verrekening heeft gemaakt.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de huur over de laatste periode niet heeft betaald en dat de schadeclaim onvoldoende is onderbouwd. Daarom wordt de vordering tot betaling van €1.000,- plus wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Tevens worden proceskosten aan gedaagde opgelegd.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.000,22 plus wettelijke rente, incassokosten en proceskosten aan eiser.