ECLI:NL:RBNHO:2022:3036

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 april 2022
Publicatiedatum
7 april 2022
Zaaknummer
8454196 \ CV EXPL 20-3373
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 128 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verstekvonnis in luchtvaartclaim verzetzaak tegen Transavia Airlines

In deze civiele verzetzaak heeft Transavia Airlines verzet aangetekend tegen een verstekvonnis in een luchtvaartclaimprocedure. De passagiers hadden een vordering ingesteld wegens vluchtvertraging. Transavia stelde in haar conclusie van repliek dat de passagiers hun vordering hadden gecedeerd aan een claimbureau en dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, waardoor geen compensatie verschuldigd zou zijn.

De kantonrechter oordeelde dat deze verweren te laat (tardief) waren ingebracht, aangezien Transavia deze al in de verzetdagvaarding had moeten aanvoeren. Ook werd afgewezen dat de conclusie van repliek als een inhoudelijke conclusie van antwoord zou worden aangemerkt. Het verzoek om een aanvullende schriftelijke ronde werd eveneens afgewezen.

Daarmee werd het verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis van 11 maart 2020 bevestigd. Transavia werd veroordeeld in de proceskosten van de passagiers, vastgesteld op €124. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het verzet van Transavia Airlines wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis bevestigd met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr/rolnr.: 8454196 \ CV EXPL 20-3373
Uitspraakdatum: 6 april 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
opposante
hierna te noemen: Transavia
gemachtigde: mr. M. Reevers
tegen

1.[passagier sub 1]

2. [passagier sub 2]
beiden wonende te [woonplaats] (Bulgarije)
geopposeerden
hierna te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. D.E. Lof

1.Het procesverloop

1.1.
Bij tussenvonnis van 8 december 2021 is bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Voor het procesverloop tot dan toe wordt naar dat tussenvonnis verwezen.
1.2.
Naar aanleiding van een verzoek van beide partijen per e-mail van 7 maart 2022 om de mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De vervoerder heeft in de conclusie van repliek in oppositie aangevoerd dat hij ten onrechte na het indienen van een incidentele conclusie tot verwijzing en voeging niet in de gelegenheid is gesteld om inhoudelijk verweer te voeren in de hoofdzaak. De kantonrechter stelt echter vast dat de vervoerder een dag nádat de dagvaarding is betekend een afzonderlijke incidentele conclusie tot voeging en verwijzing heeft ingediend. De vervoerder heeft dus niet voorafgaand aan de verzetdagvaarding, noch in plaats daarvan een incidentele conclusie tot voeging en verwijzing ingediend. De vervoerder heeft er voor gekozen om in de verzetdagvaarding - net als in de incidentele conclusie - te verzoeken om verwijzing en voeging en geen inhoudelijk verweer te voeren, hoewel hij daarvoor wel de gelegenheid had. Het verzoek van de vervoerder om de conclusie van repliek in oppositie aan te merken als ‘de conclusie van antwoord’, zonodig met een aanvullende ronde voor beide partijen, zal daarom worden afgewezen.
2.2.
De vervoerder heeft bij conclusie van repliek in oppositie primair aangevoerd dat de passagiers hun vordering hebben gecedeerd aan het claimbureau AirHelp Limited en dat zij daarom niet meer vorderingsgerechtigd zijn. Subsidiair heeft de vervoerder aangevoerd dat de passagiers geen aanspraak maken op compensatie, omdat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid. De vervoerder heeft niet toegelicht waarom hij deze standpunten eerst in de conclusie van repliek in oppositie heeft ingenomen. Gesteld noch gebleken is dat de vervoerder dit niet al in de verzetdagvaarding naar voren heeft kunnen brengen, waartoe hij op grond van de in artikel 128 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde vereiste concentratie van verweer gehouden is. Gelet hierop zijn deze verweren tardief.
2.3.
De conclusie is dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis zal worden bevestigd. De vervoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de verzetprocedure.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van 11 maart 2020 in de zaak met zaaksnummer 8268552 \ CV EXPL 20-489;
3.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de passagiers worden vastgesteld op een bedrag van € 124,00 aan salaris van de gemachtigde van de passagiers;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
LB15A