3.3.1Verweer tot bewijsuitsluiting
De verdediging heeft de juistheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde conclusies van het LIV betwist. De verdediging heeft de rechter-commissaris verzocht om een tegenonderzoek te laten uitvoeren aan de in beslag genomen voertuigen en onderdelen ter beantwoording van de vraag of deze van diefstal afkomstig zijn. De rechter-commissaris heeft het verzoek zonder inhoudelijke toets afgewezen, omdat de goederen blijkens de informatie van het OM reeds waren vernietigd, zodat het uitvoeren van een tegenonderzoek onmogelijk was. Deze vernietiging heeft plaatsgevonden op een zodanig vroeg moment in het onderzoek dat onderzoekswensen van de zijde van de verdediging nog niet ter sprake waren. Nu aan de verdachte de mogelijkheid tot het laten verrichten van een tegenonderzoek is ontnomen en de conclusies van het LIV de kern van de bewijsvoering tegen de verdachte vormen, stelt de verdediging zich op het standpunt dat ten aanzien van alle in de tenlastelegging genoemde goederen sprake is van een ernstig en onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Dit verzuim moet worden gesanctioneerd met bewijsuitsluiting van de rapportages van het LIV, aldus de verdediging.
De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.
Indien de verdediging het verzoek om een tegenonderzoek had gedaan toen de goederen nog niet waren vernietigd en het gestelde verzuim zich dus (nog) niet had voorgedaan, had een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kunnen plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit verzoek in dat geval op inhoudelijke gronden zijn afgewezen. In dat verband is het volgende van belang.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de inhoud van de rapporten van het LIV wordt gevolgd, omdat deze zijn opgemaakt door deskundigen met specifieke (technische) kennis op het gebied van voertuigcriminaliteit en om die reden van waarde zijn voor de beoordeling van de feiten door de rechter. De verdediging heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan in dit geval getwijfeld zou moeten worden aan de inhoud van de LIV-rapporten die zich in het dossier bevinden. De verdediging heeft in de pleitnota onder de nummers 8 tot en met 11 aspecten genoemd van de bevindingen van het LIV op basis waarvan zij zich niet kan verenigen met de door het LIV getrokken conclusies. Het betreft hier algemene vraagtekens bij een toegepaste etsbehandeling, bij de datering van voertuigonderdelen en bij de herleidbaarheid van deze onderdelen naar voertuigen waarvan deze afkomstig zouden zijn. Deze aspecten acht de rechtbank niet zodanig concreet dat op grond hiervan zou moeten worden getwijfeld aan de inhoud van de rapporten. De rechtbank heeft ook ambtshalve geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de LIV-rapporten die telkens door een deskundige zijn opgemaakt.
Dit betekent dat het verzoek om een tegenonderzoek op inhoudelijke gronden zou zijn gestrand. Aldus is door het vernietigen van de goederen geen sprake van een verzuim in de zin van artikel 359a Sv. De LIV-rapporten kunnen voor het bewijs worden gebruikt.
Van de zijde van de verdediging is informatie overgelegd op basis waarvan naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk is dat (onderdelen van) vier van de in de tenlastelegging genoemde voertuigen (gedachtestreepjes nummer 1, 4, 7 en 11) niet zijn vernietigd, maar op een later moment nog aanwezig waren bij een garagebedrijf dat deze te koop aanbood. Dat betekent dat de informatie van het OM aan de rechter-commissaris voor wat betreft deze vier door de verdachte genoemde voertuigen, onjuist is geweest. Het OM is daar eerder in de procedure (doordat de raadsman voor de terechtzitting van 19 november 2021 reeds een stuk pleitnota had toegezonden) en wederom ter terechtzitting van 22 februari 2022 op gewezen. Op beide momenten heeft het OM daarop niet gerespondeerd.
De rechtbank is van oordeel dat deze gang van zaken een vormverzuim oplevert, waarvan herstel niet mogelijk is. Immers is niet duidelijk waar (de onderdelen van) de voertuigen zich op dit moment bevinden en of zij inmiddels alsnog zijn vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte hierdoor echter niet geschaad in zijn verdediging. Daartoe wordt overwogen dat, indien duidelijk was geweest dat de betreffende goederen er nog waren, ook hiervoor geldt dat het verzoek van de raadsman op inhoudelijke gronden zou zijn afgewezen. Nu de verdachte door het vormverzuim niet is geschaad in zijn verdediging, worden hieraan door de rechtbank geen consequenties verbonden. De LIV-rapporten kunnen ook ten aanzien van deze voertuigen voor het bewijs worden gebruikt.
3.3.3Bewijsmotivering
Ten aanzien van de motorfiets BMW R1200GSlc ([kenteken 13])
Op 10 juli 2017 meldt getuige [getuige] bij de politie dat omstreeks 20:30 uur een motorfiets met Duitse kentekenplaten door drie mannen in een zwarte Volkswagen Transporter is ingeladen. De getuige heeft foto’s genomen van de situatie. Op de foto’s wordt door verbalisanten waargenomen dat de motorfiets is voorzien van het Duitse kenteken [kenteken 13].
Op 11 juli 2017 omstreeks 11:45 uur wordt de motorfiets in het bedrijfspand van de verdachte, gelegen aan de [adres 2], aangetroffen. Over de motorfiets zit een zeil en op de achterzijde van de motorfiets zit geen kentekenplaat meer.
Bij het raadplegen van de politieregisters blijkt dat op 9 juli 2017 aangifte is gedaan van diefstal van de motorfiets met kenteken [kenteken 13].
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet wist, althans niet redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat de motorfiets van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft verklaard dat hij een vriend heeft geholpen met het ophalen van de motorfiets, dat deze vriend een sleutel van het slot had en dat hij niet heeft gezien dat de motorfiets was voorzien van Duitse kentekenplaten. Deze gestelde gang van zaken, waarover de verdachte pas in tweede instantie heeft verklaard, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de getuige [getuige] heeft verklaard dat het haar opviel dat de motorfiets niet op slot bleek te staan, nadat het zeil van de motorfiets werd verwijderd. In de Volkswagen Transporter en in het bedrijfspand van de verdachte is het door de verdachte bedoelde slot ook niet aangetroffen. Daarnaast is op de foto’s die de getuige [getuige] heeft genomen duidelijk te zien dat de motorfiets is voorzien van Duitse kentekenplaten. De verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die de hoes van de motorfiets heeft afgehaald. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op dat moment heeft gezien dat de motorfiets een Duits kenteken had. Bovendien strookt de verklaring van de verdachte niet met de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft immers verklaard dat de verdachte aan hem en medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gevraagd om hem te helpen met het ophalen van een motorfiets – en dus niet andersom.
Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien met de wijze waarop de motorfiets kort na het ophalen daarvan in het pand van de verdachte is aangetroffen en met de wisselende verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de motorfiets wist dat deze van misdrijf afkomstig was.
Ten aanzien van de overige ten laste gelegde voertuigen en voertuigonderdelen
Voorhanden hebben van door misdrijf afkomstige goederen
Na binnentreding ter inbeslagname in de bedrijfspanden van de verdachte aan de [adres 3] zijn diverse voertuigen en losse voertuigonderdelen aangetroffen. Het LIV heeft onderzoek verricht aan deze goederen en de bevindingen en conclusies opgenomen in afzonderlijke rapportages.
Uit de bevindingen en conclusies van het LIV leidt de rechtbank af dat:
i. i) de voertuigen telkens waren voorzien van een voertuigidentificatienummer (hierna: VIN-nummer) dat niet bij het betreffende voertuig hoorde;
ii) twee voertuigen waren voorzien van een ingelast stukje schutbord (gedachtestreepje nummer 1) of binnenscherm (gedachtestreepje nummer 4) waarop het valse VIN-nummer was ingelast en bij één voertuig (gedachtestreepje nummer 2) het fabrieksmatig aangebrachte VIN-nummer was weggeslepen;
iii) meerdere voertuigen waren opgebouwd uit onderdelen van (verschillende) andere voertuigen;
iv) de losse voertuigonderdelen, al dan niet via een daarop specifiek aangebracht nummer, konden worden herleid tot een voertuig met een ander VIN-nummer;
v) de VIN-nummers die fabrieksmatig aangebracht behoorden te zijn in de betreffende voertuigen, dan wel behoorden bij de losse voertuigonderdelen, overeen komen met de VIN-nummers van voertuigen die als gestolen stonden geregistreerd.
Uit het onderzoek van de politie is voorts nog gebleken dat bij de aangetroffen scooters (gedachtestreepjes nummer 10 en 12) het contactslot en/of het zadelslot was geforceerd.
Ten aanzien van alle in de tenlastelegging opgenomen (onderdelen van) voertuigen is op enig moment aangifte gedaan van diefstal. Uit deze aangiftes kan worden afgeleid dat alle voertuigen zijn weggenomen uit plaatsen in Nederland. Het overgrote deel van de voertuigen is gestolen uit Noord-Holland gedurende de periode van januari 2016 tot juli 2017. Ook blijkt dat zo goed als alle onderdelen van het voertuig met kenteken [kenteken 4], vier dagen na de diefstal van dat voortuig, gedemonteerd (los) in het bedrijfspand van de verdachte lagen.
De rechtbank komt op grond van de rapporten van het LIV en de aangiftes die zich in het dossier bevinden tot de conclusie dat de op de tenlastelegging voorkomende voertuigen en onderdelen van diefstal afkomstig zijn. Nu deze goederen in de bedrijfsloodsen van de verdachte zijn aangetroffen, heeft de verdachte deze in de periode van 10 juli 2017 tot
11 juli 2017 voorhanden gehad.
Wetenschap van de verdachte
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze voertuigen en onderdelen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Of kan worden aangenomen dat bij de verdachte de wetenschap of het vermoeden van de criminele herkomst van de voertuigen en/of voertuigonderdelen bestond, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
In de onderhavige zaak wordt voor die beoordeling in aanmerking genomen dat de verdachte al jarenlang – naar eigen zeggen vijftien jaar – werkzaam was in zijn eigen autoschadebedrijf. In dat licht bezien mag van de verdachte een zekere expertise worden verwacht bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Dit geldt temeer nu juist in de tweedehandsautobranche een niet te verwaarlozen kans bestaat op aanbod van gestolen auto’s en auto-onderdelen, door al dan niet particuliere aanbieders. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat in de handel van tweedehands auto(-onderdelen) gestolen spullen omgaan. Daarbij geldt dat een goede boekhouding een wettelijk vereiste is (zie ook artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht). Daarmee kan immers (mede) inzichtelijk worden gemaakt dat een inkoop of inruil niets verdachts om het lijf had. Eveneens kan een goede boekhouding aanknopingspunten bieden voor de opsporing van de aanbieder van gestolen waren. Tegen deze achtergrond mag van een verdachte in de autobranche worden verwacht dat hij – geconfronteerd met de criminele herkomst van voorwerpen in zijn bedrijf – een verklaring aflegt omtrent de herkomst van de betreffende voorwerpen en die verklaring zoveel mogelijk met zijn boekhouding onderbouwt.
Administratie in de kofferbak van de BMW [kenteken 12]
De verdediging heeft aangevoerd dat het de verdachte onmogelijk is gemaakt om aan te tonen dat hij de voertuigonderdelen (gedachtestreepjes nummer 13 t/m 21) legaal heeft gekocht. De administratie van de verachte lag namelijk in de kofferbak van de in beslag genomen BMW met kenteken [kenteken 12], die in opdracht van het OM is vernietigd.
De rechtbank volgt de verdediging niet in dit standpunt. Dat de betreffende administratie daadwerkelijk in de kofferbak van de inbeslaggenomen BMW heeft gelegen, vindt namelijk zijn weerlegging in de verklaring van de boekhouder van de verdachte, de heer [betrokkene], die heeft verklaard dat de verdachte zijn administratie op 12 september 2017 bij hem op kantoor heeft opgehaald. Op dat moment was de BMW reeds door de politie in beslag genomen (namelijk op 14 augustus 2017). Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de boekhouder zich kennelijk heeft vergist in de datum. Dit acht de rechtbank niet aannemelijk. Maar zelfs al zou een dergelijke vergissing worden aangenomen, dan is deze administratie – die voor de verdachte kennelijk essentieel was om zijn goede trouw aan te kunnen tonen – door eigen toedoen van de verdachte niet aan de politie overgedragen. De verdachte heeft immers structureel geweigerd de kofferbak te (laten) openen toen de politie hem daarom verzocht.
Administratie zoals overgelegd door de verdediging
De verdediging heeft ter onderbouwing van de stelling dat de verdachte aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan verschillende documenten overgelegd.
Met betrekking tot de documenten die de verdachte op 14 juli 2017 aan de politie heeft overhandigd, is de rechtbank van oordeel dat niet (eenvoudig) herleidbaar is of deze zien op de ten laste gelegde voertuigen en/of onderdelen, en – zo ja – op welke daarvan. Uit deze stukken kan ook niet worden afgeleid dat door de verdachte het benodigde onderzoek naar de herkomst van de goederen is verricht. Aan de zijde van de verdediging is ook niet voldoende toegelicht hoe uit de overgelegde stukken kan volgen dat de verdachte aan zijn onderzoeksplicht zou hebben voldaan.
Ter terechtzitting van 22 februari 2022 heeft de rechtbank kennisgenomen van aanvullende stukken die de verdediging op 18 februari 2022 aan het OM heeft toegezonden. De rechtbank is van oordeel dat aan voornoemde stukken geen betekenis toekomt bij de beantwoording van de vraag of de verdachte
ten tijde van het voorhanden krijgenvan de goederen heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Dat de RDW op 11 mei 2016 heeft laten weten een nieuw kentekenbewijs te verstrekken voor het voertuig met kenteken [kenteken 12], toont niet aan de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het gestolen motorblok dat in dit voortuig is aangetroffen (gedachtestreepje nummer 8) heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Hetzelfde geldt voor een bij de RDW aangemelde motorfiets waarin een gestolen motorblok is aangetroffen (gedachtestreepje nummer 3) en waarvan de aanvraag voor een kentekenbewijs door de RDW nog in behandeling moet worden genomen.
Ten aanzien van de stukken die zien op de BMW M3 (gedachtestreepje nummer 2) overweegt de rechtbank dat de verdachte kennelijk kort geleden het kenteken dat bij het betreffende voertuig behoort online heeft nagetrokken. Uit het dossier volgt echter dat het voertuig zonder kentekenplaten is aangetroffen bij het pand van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij in Duitsland een kaal chassis met brandschade, waarvan het VIN-nummer was weggeslepen, heeft gekocht. Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte dit voertuig heeft aangeschaft, had het op de weg van de verdachte gelegen om op het moment van aankoop navraag te doen. Dat het betreffende voertuig nadien op een algemene website niet als gestolen zou zijn geregistreerd, doet daar niet aan af.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de grote hoeveelheid van diefstal afkomstige goederen die is aangetroffen in de bedrijfspanden van de verdachte, het ontbreken van een geloofwaardige verklaring daarvoor en het gebrek aan een gedegen ondersteunende boekhouding, in combinatie met de hiervoor weergegeven specifieke omstandigheden, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de illegale herkomst van de voertuigen en onderdelen ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan, althans dat hij minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de hier betreffende (onderdelen van) voertuigen van misdrijf afkomstig waren. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de motorfiets met kenteken [kenteken 13] en de auto met kenteken [kenteken 4] zeer kort voorafgaand aan het aantreffen bij de verdachte zijn gestolen.
Gelet op al het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van alle in de tenlastelegging genoemde voertuigen en onderdelen.