ECLI:NL:RBNHO:2022:159

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 januari 2022
Publicatiedatum
12 januari 2022
Zaaknummer
C/15/320381 / HA ZA 21-503
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 CMRArt. 31 lid 1 onder b CMRArt. 630 RvArt. 5 Verordening (EG) Nr. 593/2008 (Rome I)Art. 8 lid 4 WGBZ
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak naar kantonrechter wegens vordering onder €25.000

In deze civiele procedure vordert eiseres, een besloten vennootschap, een schadevergoeding van gedaagden voor schade ontstaan bij het vervoer van goederen over de weg van Frankrijk naar Nederland. De zaak betreft een internationale vervoersovereenkomst waarop het CMR-verdrag van toepassing is, met Nederlandse rechterlijke bevoegdheid.

Gedaagde Clermont verzoekt in een incident de zaak te verwijzen naar de kantonrechter omdat de vordering minder dan €25.000 bedraagt. De rechtbank oordeelt dat de zaak inderdaad verder door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist. Tevens wordt eiseres veroordeeld in de proceskosten van het incident omdat zij de zaak niet direct bij de kantonrechter heeft aangebracht.

De rechtbank wijst de vordering in het incident toe, verwijst de hoofdzaak naar de kantonrechter en informeert partijen over het vervolg van de procedure, waaronder het recht om zonder advocaat te verschijnen en de verlaging van het griffierecht.

Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar de kantonrechter en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/320381 / HA ZA 21-503
Vonnis in incident van 19 januari 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] TRANSPORT B.V.,
gevestigd te [plaats],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
CLERMONT EXPRESS SP. Z O.O.,
gevestigd te Warschau, Polen,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
NOWATRANS GRZEGORZ NOWAK
gevestigd te Tychy, Polen,
gedaagde,
advocaat onttrokken,
3. de vennootschap naar buitenlands recht
GENERALI TOWARZYSTWO UBEZPIECZEŃ SPÓLKA AKCYJNA,
gevestigd te Warschau, Polen,
gedaagde,
niet verschenen,
4. de vennootschap naar buitenlands recht
TUIR ALLIANZ POLSKA S.A.,
gevestigd te Warschau, Polen,
gedaagde,
niet verschenen.
Eiseres zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna Clermont, Nowatrans, Generali en Tuir genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de akte intrekking van de eis ingesteld tegen Generali en Tuir
  • het formulier B2, waarmee mr. R.W.J.M. zich onttrekt als advocaat van Nowatrans
  • de incidentele conclusie van Clermont tot verwijzing naar de kantonrechter
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.1.
Het geschil tussen partijen gaat over het vervoer van zaken over de weg van Frankrijk naar Nederland. In het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: het CMR) is in artikel 1 bepaald Pro dat dit verdrag van toepassing is op internationale vervoersovereenkomsten, als de plaats van verzending of ontvangst van de goederen is gelegen in een aangesloten verdragsland, ongeacht de woonplaats en nationaliteit van partijen. Zowel Frankrijk als Nederland zijn partij bij het CMR, zodat dit verdrag op onderhavige zaak van toepassing is.
2.2.
De plaats van in ontvangstneming van de goederen is in dit geval Oude Meer, gemeente Haarlemmermeer. Omdat de plaats van ontvangst van de goederen in Nederland ligt, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 31 lid 1 onder Pro b CMR bevoegd van het geschil kennis te nemen. Oude Meer ligt in het arrondissement van de rechtbank NoordHolland, locatie Haarlem, zodat op grond van het bepaalde in artikel 630 Rv Pro deze rechtbank relatief bevoegd is.
2.3.
Ingevolge artikel 5 van Pro de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) is Nederlands recht van toepassing op de rechtsverhouding tussen partijen.
Standpunten van partijen
2.4.
In de hoofdzaak vordert [eiser] – samengevat – een verklaring voor recht dat gedaagden, hoofdelijk, althans Clermont en/of Nowatrans tegenover [eiser] aansprakelijk zijn voor de in de dagvaarding omschreven schade. [eiser] vordert daarnaast gedaagden hoofdelijk te veroordelen om een schadevergoeding van € 16.728,79 aan haar te betalen, en een bedrag van € 942,29 voor buitengerechtelijke incassokosten.
2.5.
Clermont vordert in het incident dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken. Volgens Clermont behoort de vordering tot de bevoegdheid van de kantonrechter omdat de vordering minder bedraagt dan € 25.000,00. [eiser] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
2.6.
Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient de onderhavige zaak, gelet op de totale waarde van de vordering, verder te worden behandeld en beslist door de kantonrechter. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
De proceskosten
2.7.
[eiser] zal in de proceskosten van het incident worden veroordeeld omdat zij dit incident noodzakelijk gemaakt heeft door de zaak niet bij de kantonrechter aan te brengen.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vordering toe,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van Clermont tot op heden begroot op € 563,00,
in de hoofdzaak
3.3.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Haarlem op 2 februari 2022 om 10.00 uur,
3.4.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.5.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2022. [1]

Voetnoten

1.type: 830