ECLI:NL:RBNHO:2022:12639

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 januari 2022
Publicatiedatum
2 januari 2024
Zaaknummer
10047075 \ CV EXPL 22-4825.1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beding aanvullende schadevergoeding uit algemene voorwaarden niet oneerlijk verklaard

Parking aan Zee B.V. heeft een vordering ingesteld tegen een gedaagde partij wegens het niet-nakomen van een verbintenis, waarbij een beding over aanvullende schadevergoeding uit de algemene voorwaarden aan de orde was.

De kantonrechter heeft in een tussenvonnis van 21 september 2022 de procedure geschetst en de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar standpunt nader toe te lichten. Parking aan Zee heeft toegelicht dat de aanvullende schadevergoeding bedoeld is als prikkel tot nakoming, om verkeersonveilige gedragingen zoals 'treintje rijden' financieel onaantrekkelijk te maken.

De kantonrechter oordeelt dat het beding in redelijke verhouding staat tot het belang van Parking aan Zee en niet als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13 kan worden aangemerkt. De vordering wordt toegewezen, de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 367,77 plus wettelijke rente en proceskosten. De kosten van de extra akte blijven voor rekening van Parking aan Zee.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Het beding over aanvullende schadevergoeding is niet oneerlijk en de vordering wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10047075 \ CV EXPL 22-4825
Uitspraakdatum: 16 november 2022
Vonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Parking aan Zee B.V.
gevestigd te IJmuiden, gemeente Velsen
de eisende partij
gemachtigde: mr. O.J. Boeder
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
De kantonrechter heeft op 21 september 2022 een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van de procedure tot 21 september 2022 wordt naar dit tussenvonnis verwezen.
1.2.
De eisende partij heeft haar vordering bij akte van 19 oktober 2022 nader toegelicht.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 21 september 2022 (hierna verder: het tussenvonnis) is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding daarop terug te komen.
2.2.
De kantonrechter heeft Parking aan Zee in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om toe te lichten waarom zij van mening is dat de bedingen waarop zij zich beroept niet als onredelijk bezwarend dienen te worden aangemerkt en voorts de schade als gevolg van het niet-nakomen van de verbintenis door de gedaagde partij te onderbouwen.
2.3.
Gelet op wat door Parking aan Zee is gesteld over de aard en de achtergrond van de gevorderde aanvullende schadevergoeding, is de kantonrechter van oordeel dat de in het geding zijnde vergoeding als ‘prikkel tot nakoming’ in een redelijke verhouding staat tot het belang van Parking aan Zee dat met nakoming van de verplichting is gediend, te weten het voorkomen van verkeersonveilige gedragingen door het financieel onaantrekkelijk maken van ‘treintje rijden’. Het beding is derhalve niet oneerlijk in de zin van de Richtlijn 93/13.
2.4.
De kantonrechter zal de vordering dan ook toewijzen.
2.5.
De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de te nemen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte op te stellen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 367,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 107,22 wegens dagvaardingskosten,
€ 128,00 wegens griffierecht en
€ 75,00 wegens salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter