ECLI:NL:RBNHO:2022:11649
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Pensioeninkomsten terecht in mindering gebracht op WW-uitkering
Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd vanwege urenverlies per 3 november 2020. Verweerder kende de uitkering toe, maar bracht de pensioeninkomsten die eiser sinds oktober 2020 ontvangt in mindering op de WW-uitkering. Eiser voerde aan dat op grond van artikel 3:5, lid 7, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) deze pensioeninkomsten niet in mindering gebracht mogen worden omdat de pensioeninkomsten zijn ontvangen na het ontstaan van de dienstbetrekking.
De rechtbank oordeelt dat het recht op WW-uitkering eerst moet worden vastgesteld aan de hand van de wekeneis, waarbij de dienstbetrekking van eiser liep van 10 januari tot 9 juni 2020 en binnen de referteperiode viel. De uitzondering van artikel 3:5, lid 7, AIB is alleen van toepassing als de pensioenuitkering werd ontvangen vóór het begin van de dienstbetrekking waaruit het recht op WW-uitkering is ontstaan.
Omdat eiser de pensioeninkomsten pas sinds oktober 2020 ontvangt, na de aanvang van de dienstbetrekking, is de korting op de WW-uitkering terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De pensioeninkomsten zijn terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering en het beroep wordt ongegrond verklaard.