AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking van de voorlopig verleende surseance van betaling van een bloembollenbedrijf
Op 19 augustus 2022 werd aan Bloembollenbedrijf B.V. voorlopig surseance van betaling verleend. Op 29 november 2022 diende verzoekster een verzoek in tot intrekking van deze surseance op grond van artikel 247 FaillissementswetPro. De rechtbank behandelde dit verzoek en hield de behandeling van het verzoek tot definitieve verlening van de surseance aan.
Verzoekster is een onderneming die bloembollen en andere gewassen kweekt. Er bestaat een geschil tussen twee aandeelhouders en bestuurders, waarbij een van de houders een vordering van ruim €1,9 miljoen heeft en conservatoir beslag heeft gelegd op drie percelen grond. De Rabobank heeft een hypotheekrecht op deze percelen en heeft een openbare verkoop aangekondigd, maar ook een verzoek ingediend tot toestemming voor onderhandse verkoop.
Er is een onvoorwaardelijk bod van €2.490.000,- op de percelen uitgebracht, en de Rabobank heeft zich bereid verklaard om middelen vrij te maken uit de verkoopopbrengst om de vordering van de schuldeiser te voldoen. De rechtbank acht dit voldoende concreet en aannemelijk dat de vordering binnen enkele weken integraal zal worden voldaan. De rechtbank concludeert dat handhaving van de surseance niet langer wenselijk is en intrekt de voorlopig verleende surseance van betaling.
De rechtbank merkt op dat de intrekking van de surseance het einde betekent van de behandeling van het verzoek tot definitieve verlening van de surseance en het daarmee samenhangende verzoek om faillissement. Eventuele claims wegens een recente brand kunnen niet in deze beoordeling worden meegenomen omdat de onderneming verzekerd is en er geen concrete aanwijzingen zijn dat de verzekering niet zal dekken.
Uitkomst: De rechtbank trekt de voorlopig verleende surseance van betaling in omdat de schuldenaar binnen enkele weken aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Alkmaar
insolventienummer: C/15/22/3 S
Beschikking van 2 december 2022
In de voorlopig verleende surseance van betaling van:
Bloembollenbedrijf [verzoekster] B.V.,
gevestigd te [plaats], gemeente [gemeente 1],
kantoorhoudende te (1784 PH) [gemeente 1] aan het adres [adres 1],
verzoekster,
advocaat mr. R.J. Bakker,
bewindvoerder mr. B.J. Mekkelholt te [gemeente 1].
1.De procedure
1.1.
Op 19 augustus 2022 is de surseance van betaling voorlopig verleend. Op 15 november 2022 is het verzoek tot definitieve verlening van de surseance van betaling behandeld en aangehouden tot 29 november 2022. Op de zitting van 29 november 2022 heeft mr. Bakker namens verzoekster een verzoekschrift ex artikel 247 FaillissementswetPro (Fw) ingediend. De rechtbank heeft ter zitting geoordeeld dat het verzoek om intrekking eerst behandeling behoeft, alvorens kan worden toegekomen aan het verzoek tot definitieve verlening van de surseance. Daarop heeft de rechtbank de behandeling van laatstgenoemd verzoek voor onbepaalde tijd aangehouden. De behandeling van het verzoekschrift ex artikel 247 FwPro heeft vervolgens onmiddellijk, dat wil zeggen ter zitting van 29 november 2022, plaatsgevonden.
1.2.
Bij de behandeling waren aanwezig en zijn gehoord:
- namens verzoekster, [betrokkene 1], bestuurder, bijgestaan door mr. R.J. Bakker;
- namens [bedrijf 1] Holding B.V., [betrokkene 1], bijgestaan door mr. H.B. de Regt;
- namens [bedrijf 2] Holding B.V., [betrokkene 2], bijgestaan door mr. M.C. Schepel;
- namens Rabobank, mr. M. IJlst;
- mr. B.J. Mekkelholt, bewindvoerder.
2.Feiten en voorafgaande gebeurtenissen
2.1.
Aan het indienen van het onderhavige verzoekschrift is een aantal feiten en gebeurtenissen vooraf gegaan, die voor een goed begrip van de beoordeling van het verzoekschrift van belang zijn en derhalve hieronder samengevat worden weergegeven.
2.2.
Verzoekster drijft een onderneming die zich bezighoudt met het kweken van bloembollen, bloemen, planten, zaden en andere gewassen. Vanaf de oprichtingsdatum in 1989 tot 12 juli 2017 waren twee broers, [betrokkene 2] (‘[betrokkene 2]’) en [betrokkene 1] (‘[betrokkene 1]’) bestuurder en (indirect) aandeelhouder van verzoekster. Bij beschikking van 12 juli 2017 heeft de Ondernemingskamer [betrokkene 2] ontslagen als bestuurder. Vervolgens zijn en/of worden er diverse procedures gevoerd om tot afwikkeling van de samenwerking tussen de broers te komen. De Ondernemingskamer heeft bij tussenarrest van 5 april 2022 verzoekster veroordeeld om aan [bedrijf 2] Holding B.V. (‘de Holding van [betrokkene 2]’) te betalen het bedrag van € 1.911.068,-. Dit betreft een rekening courant vordering van de Holding van [betrokkene 2] op verzoekster. Tot zekerheid van verhaal heeft de Holding van [betrokkene 2] conservatoir (derden)beslag gelegd op onder meer een drietal percelen grond (‘de percelen’) aan de [adres 2] te [plaats]. Op 1 augustus 2022 heeft de Holding van [betrokkene 2] een verzoekschrift ingediend om verzoekster failliet te verklaren. De behandeling van dit laatste verzoek is geschorst in verband met de voorlopige surseanceverlening op 19 augustus 2022.
2.3.
Blijkens de opgave van de bewindvoerder bij brief van 14 november 2022, heeft verzoekster drie schuldeisers:
De Rabobank is betrokken bij (her)financiering van verzoekster en het vinden van een oplossing voor de problemen van verzoekster. Op de percelen heeft de Rabobank vanaf 2008 een recht van eerste hypotheek ten behoeve van haar vorderingen op (onder meer) verzoekster. Bij exploot van 1 november 2022 heeft de Rabobank openbare verkoop van de percelen aangezegd wegens verzuim van verzoekster. Op 28 november 2022 heeft de Rabobank een verzoekschrift ex artikel 3:268 lid 2 BurgerlijkPro Wetboek bij deze rechtbank ingediend om toestemming voor onderhandse verkoop van de percelen voor een bedrag van € 2.490.000,-. De Rabobank heeft daarbij overgelegd een recent taxatierapport waaruit blijkt dat de executiewaarde van de percelen op € 2.325.000,- wordt geschat.
2.5.
Tot heden is het bedrijf van verzoekster operationeel. Desgevraagd heeft de bewindvoerder ter zitting aangegeven dat alle lopende kosten in verband met de bedrijfsvoering (kunnen) worden voldaan, ook in de nabije toekomst.
2.6.
Tussen partijen is uitvoerig overleg gevoerd om tot een minnelijke regeling te komen, maar zij zijn daar niet in geslaagd.
3.Standpunten van verzoekster en belanghebbenden
3.1.
Verzoekster stelt dat zij op korte termijn in staat is om haar betalingen te hervatten. Door een onderhandse bieder is een onvoorwaardelijk bod uitgebracht op de percelen van
€ 2.490.000,-. Dit bedrag komt in eerste instantie toe aan de Rabobank. De Rabobank heeft zich bereid verklaard om van dit bedrag een zodanig gedeelte ter beschikking te stellen dat daarmee de vordering van de Holding van [betrokkene 2] geheel kan worden voldaan.
3.2.
De Holding van [betrokkene 1] geeft aan dat geen sprake is van een faillissementstoestand en dat het verzoek intrekking surseance dient te worden gehonoreerd.
3.3.
De Holding van [betrokkene 2] stelt dat betaling van haar vordering op verzoekster allerminst zeker is. Zo is er nog geen toestemming verleend door de rechtbank voor onderhandse verkoop. De Rabobank heeft verder geen (onvoorwaardelijke) toezegging gedaan dat de Holding van [betrokkene 2] uit de verkoopopbrengst zal worden voldaan. Daarnaast wordt er op gewezen dat dat verkoop van de percelen niet kan worden gerealiseerd vanwege de afkoelingsperiode die is gelast. Verzoekster verkeert aldus (nog steeds) in een toestand van insolventie. Deze situatie moet (uiteindelijk) leiden tot het faillissement van verzoekster, aldus de Holding van [betrokkene 2]. Dat laatste kan aan de orde komen indien het verzoek om intrekking van de surseance wordt afgewezen, vervolgens de definitieve surseance niet wordt verleend en de rechtbank toekomt aan het verzoek van de Holding van [betrokkene 2] om aansluitend het faillissement van verzoekster uit te spreken.
3.4.
De Rabobank heeft ter zitting bij monde van mr. IJlst bevestigd dat zij, met in achtneming van de gebruikelijke voorwaarden zoals dat het faillissement van verzoekster niet wordt uitgesproken en het bedrijf van verzoekster levensvatbaar blijft, zich bereid heeft verklaard om na de onderhandse executie van de percelen, middelen ter beschikking te stellen waarmee de vordering van de Holding van [betrokkene 2] kan worden voldaan.
3.5.
De bewindvoerder heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Door de bewindvoerder is verder nog naar voren gebracht dat in verband met een onlangs gewoede brand er schade is binnen het bedrijf van verzoekster en bij derden. Mogelijk dat hier claims richting verzoekster uit voort komen. Verzoekster is verzekerd voor deze schade en de verzekeraar heeft de schademelding in onderzoek. Tot definitieve dekking van de schade heeft de verzekeraar nog niet besloten
4.De beoordeling
4.1
Ingevolge artikel 247 FwPro is de schuldenaar steeds bevoegd de rechtbank de intrekking van de surseance te verzoeken op grond dat de toestand van de boedel hem weer in staat stelt zijn betalingen ter hervatten. Bij het onderhavige intrekkingsverzoek gaat het er in de kern om of verzoekster in staat zal zijn de vordering van de Holding van [betrokkene 2] te betalen. Voor de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank de navolgende omstandigheden van belang:
- er ligt een onvoorwaardelijk bod om de percelen te kopen voor een bedrag van
€ 2.490.000,-;
- de bereidheid van de Rabobank om de door verzoekster voorgestelde aflossing van de vordering van de Holding van [betrokkene 2] te financieren met de middelen die vrijkomen uit de verkoop van de percelen. Vanzelfsprekend heeft de Rabobank voorwaarden gesteld aan zo’n financiering, maar dat deze voorwaarden voor verzoekster niet haalbaar zijn of problematisch zouden zijn, is gesteld noch gebleken. De rechtbank acht mede gelet op de omstandigheden genoemd onder rechtsoverweging 2.4 van deze uitspraak de door de Rabobank uitgesproken bereidheid voldoende concreet.
- Er ligt een op verzoek van de Rabobank uitgebracht taxatierapport waaruit volgt dat de geschatte executiewaarde van de percelen € 2.325.000,- bedraagt, derhalve substantieel lager (€ 165.000,-) dan de onderhandse bieding van € 2.490.000,-. Dat deze taxatiewaarde onjuist zou zijn is gesteld noch gebleken. Daarmee ligt het in de rede aan te nemen dat de Rabobank toestemming zal krijgen voor de door haar gewenste onderhandse verkoop.
4.2.
Daarmee acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de vordering van de Holding van [betrokkene 2] binnen afzienbare termijn, dat wil zeggen binnen enkele weken, integraal zal worden voldaan. Dat brengt de rechtbank vervolgens tot het oordeel dat onder deze omstandigheden de toestand van de boedel zodanig is dat handhaving van de surseance niet langer wenselijk of nodig is. Daarbij wordt ook van belang geacht dat intrekking van de surseance naar het zich laat aanzien niet zal leiden tot benadeling van schuldeisers. De Holding van [betrokkene 1] en de Rabobank hebben zich niet tegen intrekking verzet. In de opzet van verzoekster zal de vordering van de Holding van [betrokkene 2] integraal worden voldaan, inclusief de nog lopende renteverplichtingen. Dat de Holding van [betrokkene 2] mogelijk nog ander belangen heeft, zoals faillietverklaring van verzoekster, welke optie mogelijk in beeld komt als de Holding van [betrokkene 2] tegen de definitieve verlening van de surseance stemt, is niet een belang dat bij het verzoek om intrekking van de surseance een rol kan spelen.
4.3.
Dat de afkoelingsperiode een beletsel zou kunnen zijn voor de door de Rabobank ingezette onderhandse executoriale verkoop, volgt de rechtbank niet, reeds niet omdat door intrekking van de surseance de afkoelingsperiode met onmiddellijke ingang eindigt.
4.4.
Bij de afwegingen op het verzoek om intrekking kan de rechtbank geen rekening houden met potentiële claims op verzoekster in verband met de recente brand. Het betreft hier een zeer recente calamiteit waarvoor verzoekster in beginsel verzekerd is. Concrete aanwijzingen dat de verzekering voor (een deel van) de schade geen dekking biedt zijn er niet.
4.5.
De rechtbank zal op grond van het vorenstaande de voorlopig verleende surseance van betaling intrekken. Ter voorlichting van verzoekster en belanghebbenden voegt de rechtbank daaraan toe dat met intrekking de surseance van betaling eindigt en daarmee eindigt ook de reeds aangevangen en vervolgens aangehouden behandeling van het verzoek tot definitieve verlening van de surseance van betaling, alsook het daarmee samenhangende verzoek om intrekking van de voorlopig verleende surseance van betaling onder het gelijktijdig uitspreken van het faillissement.
4.6.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beschikking het salaris van de bewindvoerder bepalen.
5.De beslissing
De rechtbank trekt inde aan BLOEMBOLLENBEDRIJF [verzoekster] B.V.voornoemd voorlopig verleende surseance van betaling.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. Valk op 2 december 2022, in aanwezigheid van de griffier.