ECLI:NL:RBNHO:2022:11351

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
10156595
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 lid 2 onder d RvArt. 21 RvBoek 6 titel 5 afdeling 2B BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende onderbouwing precontractuele informatieplicht

De zaak betreft een civiele procedure tussen de burgerlijke maatschap Dierengeneeskundig Orthopedisch Centrum Amsterdam als eiser en een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij vordert op grond van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument.

De kantonrechter stelt vast dat de eiser niet heeft gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de wettelijke precontractuele informatieplichten uit Boek 6, titel 5, afdeling 2B BW. Er is geen concrete toelichting gegeven over de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, waardoor niet kan worden vastgesteld of aan de informatieplicht is voldaan.

De rechter benadrukt dat het niet aan hem is om zelf informatie te zoeken in het dossier; dit is de verantwoordelijkheid van de eiser. Omdat de eiser niet heeft voldaan aan de stelplicht en de eisen van artikel 111 lid 2 onder Pro d en artikel 21 Rv Pro, wordt de vordering afgewezen.

De eisende partij wordt niet meer in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten. De proceskosten worden aan de eiser opgelegd, terwijl die voor de gedaagde nihil worden vastgesteld.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de precontractuele informatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 10156595 \ CV EXPL 22-3783
Uitspraakdatum: 15 december 2022 (bij vervroeging)
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de burgerlijke maatschap
Dierengeneeskundig Orthopedisch Centrum Amsterdam
gevestigd te Amsterdam
de eisende partij
gemachtigde: MediCas B.V.
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.Het procesverloop

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.2.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft immers nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en of aan de gedaagde partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de hiervoor bedoelde essentiële informatie is verstrekt. Het is uitdrukkelijk niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie in het dossier. Het is aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie op welke wijze aan de gedaagde partij is verstrekt (bijvoorbeeld door belangrijke onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren).
Wat is hiervan het gevolg?
2.3.
Op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv Pro moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren.
2.4.
De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen. Gelet op artikel 3.5 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton wordt de eisende partij niet meer in de gelegenheid gesteld om haar vordering bij akte alsnog nader toe te lichten en te onderbouwen.
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter