Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarin een plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een windturbine en een parkweg werd opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde zich onbevoegd, waarna het beroep bij de rechtbank Noord-Holland werd behandeld.
De rechtbank oordeelt dat zij ook niet bevoegd is het beroep te behandelen omdat de gedoogplicht niet noodzakelijk is ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening. Dit betekent dat het beroepschrift als bezwaarschrift moet worden aangemerkt. Om dubbele procedures en schending van rechtsbescherming te voorkomen, stemmen partijen in met behandeling als rechtstreeks beroep op grond van artikel 7:1a Awb.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ten onrechte niet volgens de klassieke procedure is voorbereid, wat een procedurefout oplevert die eiser benadeelt. Het besluit is daarmee in strijd met de Belemmeringenwet Privaatrecht en de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de Minister op een nieuw besluit te nemen volgens de correcte procedure. Een verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat dit in strijd is met de vernietiging van het besluit.
De rechtbank veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiser en restitueert reeds betaalde griffierechten. De uitspraak benadrukt het belang van correcte procedurele naleving voor adequate rechtsbescherming in bestuursrechtelijke gedoogplichtzaken.