Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De vordering
€ 642.915,-en dat aan [veroordeelde] de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 1 en 2 november 2022 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit een veroordeling voor medeplegen van invoer van stoffen onder de Geneesmiddelenwet.
De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €642.915,- gevorderd, later bijgesteld tot €257.166,20, gebaseerd op rapportages van de FIOD over illegale handel in geneesmiddelen. De berekening betrof opbrengsten uit 217 postpakketten met illegale middelen verzonden vanuit Azië naar Nederland.
Hoewel veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van invoer, werd hij vrijgesproken van medeplegen van bereiden en handel in geneesmiddelen. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte berekening niet toepasbaar was voor de rol van veroordeelde, omdat deze uitging van totale opbrengsten uit de handel, terwijl zijn rol beperkt was tot invoer.
De rechtbank vond onvoldoende aanknopingspunten om een betrouwbare schatting te maken van het wederrechtelijk verkregen voordeel en wees daarom de vordering af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende onderbouwing van het wederrechtelijk verkregen voordeel.