Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
“…denkbaar is dat de waan van betrokkene zo allesoverheersend was geworden, dat zijn beperkte coping om die overtuiging adequaat te hanteren, volledig tekortschoot en dat het ten laste gelegde, indien bewezen, niet aan hem kan worden toegerekend”. Onduidelijk is hoe deze zinsnede moet worden geïnterpreteerd. Immers, deze zinsnede is uitsluitend nader geduid door [naam 1] en niet ook door [naam 2] of – vanwege het overlijden van [naam 2] – een andere psychiater. Dit klemt te meer nu het [naam 2] is geweest die deze conclusie als eerste heeft geschreven en de nadien door [naam 1] gegeven toelichting en ingenomen standpunten niet door [naam 2] (of een vervangend psychiater) zijn getoetst. Bij die stand van zaken brengt de genoemde zinsnede, waarin volledige ontoerekenbaarheid mogelijk wordt geacht maar er onvoldoende informatie is om uitsluitsel te geven, mee dat strafrechtelijk de verdachte van die onduidelijkheid geen nadeel mag ondervinden en voor ontoerekeningsvatbaar moet worden gehouden.
gezamenlijkde vraagstelling beantwoord (na gezamenlijk overleg met het gehele multidisciplinaire team). Dit blijkt uit het gegeven dat het rapport uit hun beider namen is geschreven en door hen beiden is ondertekend en de in het rapport beschreven totstandkomingswijze. Ook uit de ter terechtzitting door [naam 1] gegeven nadere toelichting blijkt dat de conclusies in het rapport van 19 juli 2021 na uitvoerig overleg en in samenspraak met [naam 2] en andere betrokken professionals binnen het PBC tot stand zijn gekomen. Gelet hierop acht de rechtbank [naam 1] in staat om mede namens wijlen [naam 2] een toelichting te geven op dit rapport.
6.Motivering van de sancties
werd ingeperkt. Om deze reden wordt vanuit gedragskundig oogpunt geadviseerd het ten laste gelegde in ieder geval in een verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.
7.Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
feitelijkbijdroeg aan het levensonderhoud van de benadeelde partij en dat evenmin is gebleken van een causaal verband tussen het ten laste gelegde feit en de opgelopen studievertraging.
8.Beslag
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10. Beslissing
ZES (6) jaren.
[naam 3]geleden schade tot een bedrag van
€ 37.075,00, bestaande uit € 17.075,00 als vergoeding voor de materiële en € 20.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
[naam 4]geleden schade tot een bedrag van
€ 40.000,00, bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [naam 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.