Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
,feit 2 en feit 3 ten laste gelegde feiten. De gedragingen van de verdachte vallen volgens de officier van justitie tevens onder artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Gelet op de aard en ernst van die gedragingen en de overige omstandigheden van het geval, kan volgens de officier van justitie worden vastgesteld dat de verdachte zich roekeloos heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan zijn schuld te wijten is.
Kamerstukken II1968/69, 10038, nr. 3, p. 6).
1 primair, 2 en 3ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
.Daaruit blijkt dat de verdachte na het ongeval last heeft van schuldgevoelens en angst heeft om het huis te verlaten. Hij heeft op eigen initiatief via de huisarts hulp gezocht bij de praktijkondersteuner. De verdachte focust zich op zijn werk en heeft zijn sociale netwerk aanzienlijk beperkt. Het risico op recidive wordt – gelet op de interne motivatie van de verdachte en de afschrikwekkende werking van de gevolgen van zijn gedrag – als laag ingeschat. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte en zijn kwetsbaarheid voor groepsdruk wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Zijn leeftijd, handelingsvaardigheden en pedagogische mogelijkheden laten dit volgens de reclasseringswerker toe. Ter terechtzitting heeft reclasseringswerker [naam getuige 1] het advies gehandhaafd en nader toegelicht.
7.Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
- de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of zij/hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij/zij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke gebeurtenis;
- de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
- 14a, 14b, 14c, 36f, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9.Beslissing
2 (twee) jaar.
1 (jaar) nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar.
4 (vier) jaar.
€ 12.500,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [moeder van het slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[moeder van het slachtoffer]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 97 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
€ 12.500,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [stiefvader] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[stiefvader]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 97 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
€ 5.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [zus van het slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[zus van het slachtoffer]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.