ECLI:NL:RBNHO:2021:9607

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 november 2021
Publicatiedatum
1 november 2021
Zaaknummer
9122165 CV EXPL 21-1644
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgverzekeraar wegens niet-naleving substantiëringsplicht

De zaak betreft een vordering van de zorgverzekeraar DSW tegen een verzekerde die de premies te laat zou hebben betaald. DSW vordert betaling van een bedrag inclusief rente en kosten, gebaseerd op niet tijdig betaalde premies van januari en september 2020.

De verzekerde betwist de vordering en stelt dat alle bedragen zijn voldaan en dat de gevorderde kosten onjuist zijn. De kantonrechter constateert dat DSW in de dagvaarding een verkeerde hoofdsom hanteert en dat de aanmaningen niet overeenkomen met de juiste premiebedragen. Tevens is onjuist vermeld dat de verzekerde de vordering niet betwist, terwijl zij dit wel heeft gedaan.

De kantonrechter oordeelt dat DSW niet heeft voldaan aan haar substantiëringsplicht, zoals vereist in artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en wijst daarom de vordering af. De proceskosten worden aan DSW opgelegd, maar worden nihil vastgesteld omdat de verzekerde in persoon procedeert.

Uitkomst: De vordering van de zorgverzekeraar wordt afgewezen wegens niet-naleving van de substantiëringsplicht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 9122165 \ CV EXPL 21-1644
Uitspraakdatum: 3 november 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de onderlinge waarborgmaatschappij
Onderlinge Waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A.
gevestigd te Schiedam
eiseres
verder te noemen: DSW
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.
tegen
[gedaagde]
wonende in de [gemeente]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of een verzekeringnemer nog iets aan de zorgverzekeraar moet betalen, nadat zij de premie te laat heeft betaald. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is, omdat de zorgverzekeraar haar vordering onvoldoende duidelijk in overeenstemming met de feiten heeft ingesteld. Zij heeft niet voldaan aan haar verplichting om de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (de substantiëringsplicht). De kantonrechter verbindt daar het gevolg aan dat de vordering wordt afgewezen.

1.Het procesverloop

1.1.
DSW heeft bij dagvaarding van 15 maart 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
DSW heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft bij DSW een basisverzekering en/of aanvullende verzekeringen afgesloten.
2.2.
[gedaagde] moet de verschuldigde premies iedere maand, voor het begin van de maand, betalen.
2.3.
DSW heeft haar vordering uit handen gegeven aan haar gemachtigde. Gedaagde heeft vervolgens op 27 januari 2021 € 98,50 aan DSW betaald.
2.4.
Na het uitbrengen van de dagvaarding maar voor de eerst dienende dag, namelijk op 23 maart 2021, heeft [gedaagde] weer € 98,50 aan DSW betaald.

3.De vordering en het verweer

3.1.
DSW vordert, na vermindering van eis, dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 51,92, met rente en kosten.
3.2.
DSW legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] , ondanks aan haar gestuurde aanmaningen, de verschuldigde premies voor januari en september 2020 niet op tijd heeft betaald, maar pas volledig na dagvaarding. DSW heeft haar vordering uit handen gegeven aan haar gemachtigde en er zijn buitengerechtelijke kosten gemaakt. Deze kosten en de proceskosten moeten door [gedaagde] worden voldaan.
3.3.
[gedaagde] betwist de vordering. [gedaagde] voert aan dat zij alle aan DSW verschuldigde bedragen heeft betaald en dat zij ten onrechte is gedagvaard. Verder geeft [gedaagde] aan dat de door DSW gevorderde bedragen niet kloppen en DSW chaos creëert en betwist zij kosten verschuldigd te zijn.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter is het met [gedaagde] eens en licht dat als volgt toe.
4.2.
In de dagvaarding stelt DSW dat zij een opeisbare vordering van € 236,00 op [gedaagde] heeft. Daarbij verwijst zij naar de specificatie in productie 1. Uit die specificatie blijkt dat de hoofdsom van € 236,00 bestaat uit € 118,00 voor januari 2020 en € 118,00 voor september 2020. DSW vordert in de dagvaarding in hoofdsom dus twee premiebedragen van € 118,00 van [gedaagde] . Daarbij telt DSW de buitengerechtelijke kosten en de rente over die twee premiebedragen op (naar de kantonrechter uit de opbouw van de vordering afleidt). Vervolgens trekt zij daar € 137,50 van af wegens “in mindering voldaan en/of verrekend aan/door eiseres”. De kantonrechter leidt uit de toelichting van DSW in de conclusie van repliek af dat dit laatstgenoemde bedrag bestaat uit een betaling van [gedaagde] van € 98,50 en een eigen risico korting van tweemaal € 19,50. Deze vordering van DSW komt niet overeen met haar stelling in de conclusie van repliek dat [gedaagde] maandelijks in hoofdsom € 98,50 verschuldigd was. De kantonrechter oordeelt dat DSW haar vordering in de dagvaarding niet voldoende duidelijk in overeenstemming met de feiten heeft gepresenteerd.
4.3.
DSW heeft [gedaagde] in maart en april 2020 voor het juiste bedrag aan premie voor januari 2020 (€ 98,50) aangemaand en in november en december 2020 voor het juiste bedrag aan premie voor september 2020 (€ 98,50). Vervolgens heeft de gemachtigde van DSW [gedaagde] op 12 en 22 februari 2021 aangemaand voor een hoofdsom van € 236,00. Die hoofdsom is, zoals hiervoor al is geoordeeld, niet juist: het gaat om een hoofdsom van tweemaal € 98,50 (dus € 197,00). De aanmaningen die aan [gedaagde] zijn gestuurd en waarop de gevorderde buitengerechtelijke kosten kennelijk zijn gebaseerd, kloppen dus niet.
4.4.
[gedaagde] heeft de aanmaning van 22 februari 2021 teruggestuurd naar de gemachtigde van DSW met de mededeling dat ze de vordering betwist. Die betwisting is terecht, zoals volgt uit het voorgaande. Er staat namelijk een verkeerde hoofdsom in. DSW stelt dat de brief van [gedaagde] op 11 maart 2021 is ontvangen. Dat was dus voor de dagvaarding, die op 15 maart 2021 is betekend. Desondanks staat er in de dagvaarding dat gedaagde de vordering niet betwist. Dat is dus in strijd met de waarheid. Het klopt dat [gedaagde] haar betwisting in haar brief niet heeft toegelicht, maar dat doet niet af aan de verplichting van DSW om de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering).
4.5.
De kantonrechter concludeert dat DSW op meerdere punten niet heeft voldaan aan haar substantiëringsplicht. De kantonrechter zal de vordering daarom afwijzen, omdat die gevolgtrekking geraden wordt geacht.
4.6.
De proceskosten komen voor rekening van DSW, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op nul, omdat zij in persoon procedeert.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt DSW tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter