ECLI:NL:RBNHO:2021:8740

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
HAA 21/2642
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:57 AwbArtikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens bestuurlijke boete toeristische verhuur

Verzoekster stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen een bestuurlijke boete van € 12.500 wegens het gebruiken van een woning voor toeristische verhuur in strijd met de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening.

Na het alsnog nemen van het besluit door de gemeente en de intrekking van het beroep door verzoekster, verzocht zij de rechtbank om de gemeente te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank wees dit verzoek toe omdat de gemeente aan het beroep tegemoet was gekomen.

De proceskosten werden vastgesteld op € 187,- op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij de zaak als samenhangend werd aangemerkt met een andere procedure. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de gemeente het griffierecht van € 181,- aan verzoekster moet vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door rechter E. Jochem en griffier N. Joacim op 12 oktober 2021 en is openbaar. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gemeente Zandvoort in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 187,-.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 21/2642

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort,verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bij brief van 14 juni 2021 bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar gericht tegen de bestuurlijke boete van € 12.500 die verweerder heeft opgelegd wegens het gebruiken van de woning aan het [adres] kadastraal bekend gemeente [#] ten behoeve van toeristische verhuur, hetgeen in strijd is met de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2019.
Bij besluit van 15 juni 2021, verzonden op 18 juni 2021 heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist.
Verzoekster heeft het beroep bij brief van 7 juli 2021 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
Nadat partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet uitspraak met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
Het verzoek wordt toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 187,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,-), met een wegingsfactor 1/2) waarbij de rechtbank deze zaak aanmerkt als samenhangend met procedure HAA 21/2643, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Bpb.
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 181,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 187,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.