Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[verzoekers] e.a., te [plaats] , verzoekers
(gemachtigden: mr. R.H. Vossebeld en mr. R.E. Laman).
Rechtbank Noord-Holland
Verzoeker, een weduwnaar met drie minderjarige kinderen, keerde recent vanuit Afghanistan terug naar Nederland en verbleef tijdelijk in noodopvang. De gemeente beëindigde deze opvang omdat verzoeker naar haar oordeel zelfredzaam was en zelfstandig woonruimte kon vinden. Verzoeker stelde dat hij en zijn kinderen op grond van de WMO en artikel 20 VWEU Pro recht hebben op opvang, omdat hij momenteel niet in staat is zelf woonruimte te bekostigen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker inmiddels werk heeft gevonden en daardoor in principe zelfredzaam is, zodat een maatwerkvoorziening op grond van de WMO niet aangewezen is. Echter, gezien het belang van de minderjarige kinderen en het risico dat zij zonder opvang in een onveilige situatie terechtkomen, weegt dit zwaarder dan het algemene belang van de gemeente om de opvang niet te hervatten.
Daarom werd de gemeente opgedragen de noodopvang vanaf 19 juli 2021 te hervatten tot twee weken na het besluit op bezwaar of totdat woonruimte is gevonden. Tevens werd verzoeker in de proceskosten en griffierecht tegemoetgekomen. Het verzoek om voorlopige voorziening in de tweede procedure werd afgewezen.
Uitkomst: De gemeente wordt opgedragen de noodopvang van verzoeker en zijn minderjarige kinderen te hervatten vanaf 19 juli 2021 tot twee weken na het bezwaarbesluit of totdat woonruimte is gevonden.