Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[naam]
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak vordert de verhuurder ontruiming van een woning wegens schending van goed huurderschap door gevaarzetting, overlast en huurachterstand. De kantonrechter beoordeelt de situatie in kort geding en stelt vast dat er sprake is van een ernstig incident van vervuiling ('hoarding') in februari 2021, waarbij bestuursdwang is toegepast.
Daarnaast zijn er beschuldigingen van wateroverlast en overlast door de huurder, maar deze zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt vanwege betwisting en beperkte bewijsvoering. De huurder heeft een huurachterstand van twee maanden, maar dit is niet structureel of onherstelbaar gebleken.
De kantonrechter concludeert dat het niet waarschijnlijk is dat de vordering tot ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen, mede gelet op het langdurige huurderschap van negen jaar en het ontbreken van voldoende bewijs van voortdurende overlast of gevaarzetting.
Daarom wordt de vordering tot ontruiming en nevenvorderingen afgewezen en worden de proceskosten aan de verhuurder opgelegd.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van schending goed huurderschap.