Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Op 26 juli 2019 is hij om 7.37 uur gezien voor het pand van de aannemersbedrijf. Hij stapte uit het pand en liep over de stoep naar het voertuig en stapte in.
Op 22 augustus 2019 is eiser waargenomen (tussen 8.11 en 8.22 uur) achter het raam van een ander pand in Haarlem met een MDF-plaat in zijn handen.
Op 23 augustus 2019 is hij bij datzelfde pand waargenomen (om 7.44 uur) lopend richting de voordeur.
Op 28 augustus 2019 is eiser waargenomen (om 7.31 uur) bij het binnentreden van dat pand en (om 7.48 uur) achter een raam op de eerste verdieping.
Op 29 augustus 2019 is hij voorts waargenomen (om 7.36 uur) bij het binnentreden van dat pand en (meerdere keren tussen 7.36 en 8.19 uur) achter een raam op de eerste verdieping met voorwerpen gelijkend op een houten lat en een pen/potlood, een MDF-plaat, een zaag en een stucplaat of houten plank in zijn handen.
De rechtbank is van oordeel dat deze (objectieve) waarnemingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor verweerders conclusie dat eiser in de in geding zijnde periode - van 25 juli 2019 tot en met 12 december 2019 - op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.
De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat het onderzoek zich heeft beperkt tot het doen van observaties (naast een check in het BRP, Suwinet en internet), maar bijvoorbeeld de getuigen zijn niet gehoord.