Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
9.Beslissing
27 (zevenentwintig) maanden.
Rechtbank Noord-Holland
Op 14 december 2020 heeft verdachte te Schiphol ongeveer 3051 gram cocaïne opzettelijk binnen Nederland gebracht. Verdachte heeft dit feit bekend tijdens de terechtzitting en heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank acht het bewezen dat verdachte als koerier heeft gehandeld met het oog op verdere verspreiding en handel van deze schadelijke stof.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 27 maanden, rekening houdend met de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdediging vroeg om strafvermindering vanwege de medewerking van verdachte aan het opsporingsonderzoek en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn geestelijke toestand en financiële situatie.
De rechtbank heeft de ernst van het delict en de maatschappelijke gevolgen van cocaïnehandel meegewogen, evenals het belang van uniformiteit in straftoemeting. De medewerking van verdachte aan het onderzoek is strafverminderend, maar de persoonlijke omstandigheden zijn reeds verdisconteerd in de geldende oriëntatiepunten. Daarom is een gevangenisstraf van 27 maanden opgelegd, met aftrek van de voorarresttijd.
Daarnaast is 500 euro van het in beslag genomen geld verbeurd verklaard omdat dit bedrag met het strafbare feit is verkregen, terwijl 490 euro wordt teruggegeven aan verdachte. Ook is een mobiele telefoon in beslag genomen. De rechtbank sprak verdachte vrij van andere ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk invoeren van circa 3051 gram cocaïne.